New York, 1973. Platenbaas Richie Finestra zit in zak en as. Zijn geloof in de muziekindustrie begint te tanen, de hoeveelheden cocaïne die door zijn neusgaten verdwijnen worden er daarentegen niet minder op. Richie zit in zijn wagen, geparkeerd in een ongure steeg in Greenwich Village, waar travestieten en daklozen rondhangen. Hij graait nerveus in het handschoenenkastje en legt nog snel een lijntje...
...

New York, 1973. Platenbaas Richie Finestra zit in zak en as. Zijn geloof in de muziekindustrie begint te tanen, de hoeveelheden cocaïne die door zijn neusgaten verdwijnen worden er daarentegen niet minder op. Richie zit in zijn wagen, geparkeerd in een ongure steeg in Greenwich Village, waar travestieten en daklozen rondhangen. Hij graait nerveus in het handschoenenkastje en legt nog snel een lijntje... Maar wacht, what's that sound? Van iets verderop, uit het Mercer Arts Center, tempel van de plaatselijke rockunderground, weerklinkt opwindend lawaai. De New York Dolls staan er op het podium, het beginnend groepje van zanger David Johansen en gitarist Johnny Thunders. Richie begeeft zich nieuwsgierig naar de ingang. Hij heeft geen ticket, maar wordt toch binnengelaten: iedereen kent hem en zijn reputatie. Tussen het uitzinnige publiek, terwijl het vocht van de zaalmuren druipt, ervaart hij eindelijk nog eens de zaligmakende kracht van rock-'n-roll. Zo begint Vinyl, een nieuwe HBO-serie bedacht door onder meer Terence Winter (Boardwalk Empire), schrijver-journalist Rich Cohen, Mick Jagger en Martin Scorsese, die ook de pilot regisseerde. Met name in de scène hierboven zie je overal de hand van Scorsese. En het onderwerp (rock), het jaar (1973) en de stad (New York) kent hij door en door. 'De muziek bloeide in de jaren 70, zeker in dat jaar', vertelt Scorsese daarover in Esquire. 'Het rocklandschap onderging een totale gedaanteverwisseling. Punk, disco, hiphop: al die genres ontstonden in die tijd, in deze stad. En dus besloten we om de serie in 1973 te laten beginnen, en dan te zien waar we eindigen.' DE STONES HADDEN DÉ WERELDHIT van 1973, met Angie. Pink Floyd maakte de lp van het jaar, TheDark Side of the Moon. Nieuwe geluiden kwamen van shockrocker Alice Cooper, van David Bowie met zijn glamrockmanifest Aladdin Sane en Roxy Music met hun artrockmonument For Your Pleasure. Lou Reed had net de straten van New York op ongeziene wijze bezongen in Walk on the Wild Side. Rock shockeerde met travestie, cultiveerde hard drugs, biseksualiteit en de glamour van de goot. Meer dan waar ook broeide het dat jaar allicht in New York. Niet alleen het beste van het oude (Led Zeppelin, de Stones) was er te zien en te horen, in de clubs van Soho, Greenwich Village of de Lower East Side werden de kiemen van gloednieuwe muziekstijlen gelegd. In de Mercer stonden de Dolls van jetje te geven, even later zouden in de CBGB op de Bowery de Amerikaanse punk en postpunk geboren worden: Ramones, Television, Patti Smith, Blondie, Talking Heads... In Max's Kansas City, waar The Velvet Underground in 1970 haar laatste concert met Lou Reed speelde, bleef Andy Warhol met zijn excentrieke entourage rondhangen, samen met glamrockers David Bowie, Iggy Pop en Lou Reed. Debbie Harry was er serveerster. Ene Bob Marley stak in 1973 zijn neus aan het internationale venster, in het voorprogramma van de jonge Bruce Springsteen met zijn E-Street Band. 1973 WAS OOK het jaar waarin Scorsese Mean Streets uitbracht, een misdaadkroniek waarmee hij niet alleen de rock-'n-roll in zijn cinema introduceerde, maar ook de gemene New Yorkse straten die hij zo goed kende. Scorsese, geboren in 1942, was enige decennia eerder opgegroeid in Little Italy, destijds een nogal gevreesde wijk in de Lower East Side, waar hij zich als astmatisch opdondertje maar moeilijk staande kon houden. Zijn wijkplaats was de bioscoop, waar hij zijn liefde voor film opdeed. Maar een aanzienlijke bijrol in zijn leven was weggelegd voor muziek: in de verloederde straten van New York hoorde de jonge Marty de rock-'n-roll weergalmen. Ook dat bleef hem bij: Van New Hollywood, de generatie filmers die in de jaren 70 opstond, was hij de enige die dat ook deed met de klank van zijn tijd. Als Harvey Keitel in de openingsscène van Mean Streets wakker ligt in bed, is dat op de tonen van The Ronettes' Be My Baby. Ray Liotta leidt zijn vriendinnetje in Goodfellas (1990) naar de achterdeur van de Copacabana terwijl And Then He Kissed Me van The Crystals opstaat. En wanneer Scorsese in Bringing Out the Dead (1999) Janie Jones van The Clash door de speakers jaagt, is dat evenmin niet lukraak. The Clash was niet alleen een van de meest prominente bands uit de Britse punkgolf, Janie Jones is ook de eerste track van hun eerste lp. En Scorsese vindt het het beste Britse rocknummer ooit. 'Ik herinner mij nog goed dat de muziekindustrie in de jaren zeventig echt commercieel en megalomaan werd, maar de platen van The Clash, Ramones, The Sex Pistols en Elvis Costello hebben destijds een diepe, onuitwisbare indruk op me nagelaten', zegt Scorsese nog in Esquire. EIGENLIJK had Vinyl een film moeten worden. Tenminste, dat was twintig jaar geleden het idee waarmee Mick Jagger bij Scorsese aanklopte. Een epische filmrollercoaster over een groep vrienden in de muziekindustrie die veertig jaar muziekgeschiedenis in kaart brengt. En de werktitel mocht er ook al zijn: Rock'n' Roll. Het project wisselde van studio, er was onenigheid over het scenario, en uiteindelijk belandde het idee bij HBO, waar het een tv-reeks werd, met Terence Winter als showrunner - een logische keuze, aangezien die eerder al met Scorsese had gewerkt, aan Boardwalk Empire en The Wolf of Wall Street.Zoals gezegd heeft Scorsese zelf ook de pilot geregisseerd. En dan krijg je natuurlijk een New York à la Scorsese. Zo ongeveer halverwege de pilot rijdt Richie Finestra door de nachtelijke straten van New York terwijl Led Zeppelin in Madison Square Garden staat te spelen. De scène doet met zijn expressionistische details, haast abstracte neonverlichting en langgerekte schaduwen van voorbijslenterende figuren wel heel erg denken aan het nachtmerrieachtige sfeertje uit Taxi Driver (1976). Scorsese werkte effectief met ongebruikte footage van zijn eigen klassieker, die hij grotendeels draaide in de straten ten westen van Times Square en Broadway, rond 1975. 'All the animals come out at night - whores, skunk pussies, buggers, queens, fairies, dopers, junkies, sick, venal', zegt Travis Bickle in Taxi Driver. En dat weet niet alleen Scorsese: 'Het New York van die tijd was écht een sinistere plek, een actieterrein voor gangsters, hoeren en dealers', vertelt acteur J.C. MacKenzie, saleshoofd Skip Fontaine in de serie. 'Wilde je twee mensen op straat zien neuken? Dat kon, in ruil voor vijf dollar.' 'Ik herinner mij nog hoe de metrostellen van voor tot achter volgekliederd waren met grafitti', vertelt Max Casella, die u al kent uit The Sopranos en Boardwalk Empire. Hij vertolkt Richies rechterhand Julius 'Julie' Silver. 'En hoe Times Square op het Times Square uit Taxi Driver leek: rauw, vuil en levensgevaarlijk. In het Meat Packing District, nu de wijk waar het chic volk in dure kunstgaleries rondhangt, hing nog de stank van rottende dierenkarkassen en varkensbloed. In Central Park durfde je 's avonds en 's nachts geen voet te zetten.' IN DAT BEHOORLIJK waarheidsgetrouwe, armtierige decor, is de flamboyante Richie Finestra (een knappe rol van Bobby Cannavale, die eerder al een Emmy won voor zijn vertolking van de geschifte gangster Gyp Rosetti in Boardwalk Empire) een van die vele platenbazen die met lede ogen moeten aanzien hoe punk en disco steeds populairder worden. Hij probeert zijn label American Century Records Inc. wat nieuw leven in te blazen door mee op de kar te springen. Maar de jacht op de 'nieuwste sound' verloopt uiteraard niet van een leien dakje. En daarbij komt nog de frustratie dat 'zelfs goede muziek steeds meer een marketingproduct wordt'. En net op dat moment dreigt zijn firma verkocht te worden aan het Duitse Polygram en krijgt hij te maken met een megalomane radiomogol die zijn firma dreigt te boycotten. Richie is losjes gebaseerd op platenbazen als Neil Bogart, onverschrokken lone rangers onder de corporate titanen. Een klassieke Shakespearefiguur ook: de gevallen koning die zich met alle macht aan zijn koninkrijk vastklampt. In zijn uitgebreide, kleurrijke entourage herkent u de bevallige brunette Olivia Wilde, die Richies glamoureuze echtgenote Devon vertolkt. Birgitte Hjort Sørensen is eveneens uitstekend gecast als Ingrid Superstar, de Deense actrice en oogappel van Andy Warhol. Bij American Century Records zijn Finestra's luitenanten een bulderende A&R-verantwoordelijke die er maar niet in slaagt een deal te sluiten met de juiste band, een zakenpartner die per ongeluk iedereen beledigt die hij ontmoet, en een getalenteerde vrouwelijke A&R die straal genegeerd wordt door haar mannelijke bazen wanneer ze hét nieuwe muziektalent heeft gespot: The Nasty Bits, een fictieve protopunkband waarvan de frontman wordt gespeeld door James Jagger, zoon van. DE GRENS TUSSEN FEIT EN FICTIE is in Vinyl soms flinterdun. Twee dagen voor elke nieuwe aflevering verschijnt er een ep met de soundtrack van die episode, een combinatie van originele nummers en herwerkingen van historische tracks. Zo werd New York Dolls-frontman David Johansen gevraagd Personality Crisis van de Dolls te herwerken - het heet nu Sugar Daddy. In de pilot probeert Richie Finestra een jonge versie van Robert Plant te overtuigen om voor zijn label te tekenen. Peter Grant, de manager van Led Zeppelin, verliest echter zijn geduld wanneer hij te horen krijgt dat zijn band mogelijk deel gaat uitmaken van een Duits concern. En in aflevering zes worden we getrakteerd op de David Bowie - net als plant gespeeld door een acteur - uit zijn Diamond Dogs-periode. Het in-memoriamkaartje bij die aflevering staat ook al klaar. DOOR ANDREAS ILEGEMSJ.C. MacKenzie: 'HET NEW YORK VAN DIE TIJD WAS ÉCHT EEN SINISTERE PLEK, EEN ACTIETERREIN VOOR GANGSTERS, HOEREN EN DEALERS. WILDE JE TWEE MENSEN OP STRAAT ZIEN NEUKEN? DAT KON, VOOR VIJF DOLLAR.'