Het is zijn associatie met de Californische punk die Raymond Pettibon (60) levenslange credibiliteit heeft verleend. Raymond Ginn, zoals Pettibon echt heet, herdoopte in 1977 het punkbandje Panic van zijn broer Greg tot Black Flag. Voor de platenhoezen en flyers van de groep graaide Gregs platenfirma SST gretig - en vaak oneerbiedig - in Raymonds pentekeningen: door hard-boiled misdaadliteratuur en film noir bewasemd werk, dat de jonge kunstenaar aanvankelijk in gefotokopieerde zines verspreidde. De stijl paste Black Flags rauwe hardcorepunk als een boksbeugel. Pettibon ontwierp ook het logo van de groep: vier zwarte, verticale rechthoeken die de impressie van een wapperende vlag geven. Tot op vandaag blijkt die vondst voor punkgezinden onweerstaanbaar om op muren, gitaren, toerbusjes of hun eigen vel te (laten) kliederen. Onder meer muzikant Ryan Adams en acteur Edward Norton dragen het getatoeëerde embleem.
...

Het is zijn associatie met de Californische punk die Raymond Pettibon (60) levenslange credibiliteit heeft verleend. Raymond Ginn, zoals Pettibon echt heet, herdoopte in 1977 het punkbandje Panic van zijn broer Greg tot Black Flag. Voor de platenhoezen en flyers van de groep graaide Gregs platenfirma SST gretig - en vaak oneerbiedig - in Raymonds pentekeningen: door hard-boiled misdaadliteratuur en film noir bewasemd werk, dat de jonge kunstenaar aanvankelijk in gefotokopieerde zines verspreidde. De stijl paste Black Flags rauwe hardcorepunk als een boksbeugel. Pettibon ontwierp ook het logo van de groep: vier zwarte, verticale rechthoeken die de impressie van een wapperende vlag geven. Tot op vandaag blijkt die vondst voor punkgezinden onweerstaanbaar om op muren, gitaren, toerbusjes of hun eigen vel te (laten) kliederen. Onder meer muzikant Ryan Adams en acteur Edward Norton dragen het getatoeëerde embleem. En toch zijn dat allemaal onbeduidende faits divers voor de bedenker, die op een bloedhete New Yorkse zomermiddag in zijn langgerekte atelier in SoHo verwijlt. Zijn studiomanager heeft mij van een voordeur op Broadway een trap op geleid, en vervolgens door een lange smalle gang, aan één kant volgestouwd met beduimelde boeken, maar ik bespeur geen kunstenaar. Tot een deel van de sofa helemaal aan het andere eind van de ruimte tot leven komt, en een rijzige gestalte in pyjamabroek, met warrig sluikhaar en een wat schichtige blik op mij aan sloft. Onder een van de zacht zoemende ventilatoren hebben we het dus eerst over punk. Om ervan af te zijn.'Wat me tot op vandaag verbaast, is dat ik in de ogen van zovelen een punkrockkunstenaar ben', spreekt Pettibon. 'Neen, het stoort me niet. Maar men is me zo gaan noemen lang na de feiten. Er was eind jaren 70 in LA maar een handvol punkrockers, en mijn werk resoneerde niet in het minst bij hen. Voor die lui was 'art' een drieletterwoord, even vies als 'hippie'. Er was geen dialoog. Maar ik hou wel nog altijd van die muziek. Black Flag was een geweldige band.' Met een klodder lijm belandden Black Flag-flyers in die prille dagen op alles wat los of vast zat tussen Hermosa Beach (de voorstedelijke thuishaven van de groep) en Hollywood. Een van de jongelui bij wie zo'n pamflet vanaf de eerste aanblik een onvergetelijke indruk maakte, was Red Hot Chili Peppers-bassist Flea. 'Hier is iets gaande en het is intens', zo herinnerde hij het zich in de webdocu The Art of Punk (2013). Zo moeten er toch nog jonge zielen zijn geweest, opper ik tegenover Pettibon, die mij tijdens het gesprek nauwelijks aankijkt en lange (lánge!) stiltes tussen zijn antwoorden laat. 'Oké, voor velen waren die flyers mysterieus. Maar dat bedoel ik net. Niemand kende mij dankzij dat werk. Die respons raakte nooit tot bij mij. Daarom is het verbijsterend dat ik nog altijd in de eerste plaats aan punkrock word gelinkt. En dan nog. Hoe lang is dat geleden? Hoeveel werk heb ik daarna niet gemaakt? Het is belachelijk.' *** Door de jaren heeft Pettibon naar schatting twintigduizend werken gemaakt. Hij heeft altijd kunst gemaakt omdat hij dat wilde, nooit omdat het moest, hij heeft altijd enkel en alleen zijn eigen zin gedaan en gaandeweg wekte dat de interesse van de kunstwereld. Zijn handelsmerk had hij al te pakken toen hij nog economie studeerde - later gaf hij ook nog een tijdlang wiskunde op de middelbare school. Als verwoed lezer lag het voor de hand dat hij zijn pentekeningen zou uithuwelijken aan een rafel tekst, maar wel op zo'n manier dat de betekenis van het ene die van het andere ietwat ontwricht. De tentoonstelling A Pen of All Work, die van New York naar het Bonnefantenmuseum in Maastricht is overgebracht, legt zo'n zevenhonderd bewijzen voor van hoe Pettibon zijn artistieke stijl sinds eind jaren zeventig heeft ontwikkeld en verbreed. Voer voor verbluffing is het, hoe de stuurse zwart-wittekeningen overgaan in magnifieke erupties van kleur. Hoe zijn initiële, bijtende sarcasme jegens hippies (drugsverslaafde sukkels met een derhalve idioot wereldbeeld, in Pettibons ogen) maar ook punkers (al even zwakzinnige kuddedieren) plaatsmaakt voor nostalgische odes aan surfen en baseball. Of Pettibon soms nadenkt over wat zijn status is in de kunstwereld? 'Neen. Nooit gedaan. Als artiest heb je hoe dan ook zelden het gevoel dat je gearriveerd bent. Ik ben hier nooit aan begonnen om een ster te worden of een Oscar te winnen. Ik heb nooit met portfolio's geleurd. Niet dat ik daarop neerkijk. Ik koester geen antisterrenwrok, geen punkrockmentaliteit. Hoegenaamd niet.' *** Een Oscar? Ja, Pettibon heeft ook ettelijke scripts geschreven, de meeste onverfilmd. En wat wél in beeld werd omgezet, getuigt net als zijn tekeningen op papier van zijn no-nonsenseattitude. Op YouTube circuleert bijvoorbeeld Sir Drone (1989), een video zo goedkoop als maar kan, waarin de hoofdrolspelers (u herkent mogelijk Minutemen-, Firehose- en recenter Stooges-bassist Mike Watt, die zijn dialoog duidelijk van pancartes afleest) uit alle macht een punkband van de grond proberen te krijgen. Andermaal: bijtend. Maar terug naar Pettibons tekenwerk. Zijn thematiek is voor het grootste deel door en door Amerikaans. Herhaaldelijk treden figuren als Charles Manson, Elvis Presley, Superman, Batman en Robin, Vavoom (een figuurtje uit de oude tekenfilmserie Felix the Cat) en Gumby (een groen kleimannetje, ook van de tv) op. Voor de onafscheidelijke teksten leunt Pettibon op fragmenten uit boeken, soms ook uit tijdschriften en brieven. Die neemt hij ofwel letterlijk over, ofwel doorspekt hij ze met zijn eigen schrijverij. Zo voegt hij nog een extra dimensie toe aan elk werk, een in de meeste gevallen ontraceerbaar spoor naar literatuur of kunstgeschiedenis. 'Mijn kunst ontstaat uit lezen', deelt hij mee, alweer aan een punt in de verte achter mij. 'Terwijl ik lees, herschrijf ik. Vaak reduceer ik een boek tot zijn synopsis, en nog verder: tot een pagina, een paragraaf, een zin, een uitdrukking, een woord. Wanneer je lezen herleidt tot die microscopische exegese, betekent de taal meer voor je dan het verloop van het verhaal. De plot interesseert mij nooit.' Pettibon werkt niet volgens een methodologie. Vaak maakt hij een tekening en associeert hij het resultaat met een stuk tekst dat hij zich van jaren geleden herinnert. Maar evengoed kunnen woorden het startpunt vormen. *** Wanneer ik een op de muur vastgepinde tekening van zijn hond Boo aanwijs (een griffon belge, wil het toeval), is het alsof de gastheer het belletje voor het begin van een rondleiding hoort rinkelen. Hij schuifelt voor me op, langs ettelijke door schragen gestutte tafels waarop hoofdzakelijk postergrote, kleurrijke tekeningen op afwerking wachten, tekeningen van baseballspelers in het klassieke jarentwintigtenue. Zijn fascinatie voor de sport blijkt eveneens uit meerdere tonnen volgestouwd met knuppels en handschoenen, sommige bijna honderd jaar oud. 'Baseball is een vrij recent thema in mijn werk, ja', beaamt hij. 'Ik weet niet waarom. Plots gingen de sluisdeuren open.' Ik merk schoorvoetend op dat men in de bloedrode tekening van zijn sterk behaarde huisdier ook de verwilderde Charles Manson kan zien, de zelfverklaarde messias die zijn discipelen tot meervoudige moord aanzette, nadat hij daartoe het sein meende te hebben gehoord op The White Album van The Beatles. Een cynicus zou kunnen hardmaken dat Pettibon dat van Manson heeft afgekeken: mensen anders doen kijken naar een bestaand gegeven. 'Ja, maar hij had andere bedoelingen met zijn interpretaties van die plaat of van het Bijbelboek Openbaring, dat Manson in de gevangenis had bestudeerd. Hij wilde volgelingen aan zich binden. Dat gaat voor mij niet op.' Zo verzeilen we bij een mistig punt waarop Pettibon al meerdere keren heeft gealludeerd: het ontbreken van feedback vanuit de buitenwereld, naar zijn aanvoelen althans. Hij zegt geen duidelijk beeld te hebben van wie zijn publiek is, en dat dat ook niet hoeft. De bezoekersaantallen van zijn tentoonstellingen interesseren hem niet. Anderzijds drukt hij een flagrante wens uit naar enige vorm van gedachtewisseling. Daarom zit hij sinds enkele jaren ook op Twitter. Maar de reacties die zijn met opzet fout gespelde, sarcastische commentaren daar van een hoofdzakelijk jong publiek krijgen, verwarren hem alleen maar. Na een zoveelste stilzwijgen formuleert hij een van zijn droombeelden. 'Je leest wel eens over schrijvers of artiesten die in eenzelfde geografische gemeenschap leefden en daar allerlei ideeën tegen elkaar aan gooiden. Of hoe een schrijver een langeafstandslijn onderhoudt met zijn uitgever of redacteur. Zo'n situatie heb ik nooit gekend.' Weer nemen de fluisterende ventilatoren eeuwenlang het woord over. 'De zeldzame keren dat iemand de moeite heeft gedaan mij over mijn werk aan te spreken omdat het iets voor hen heeft betekend, zie ik als een mirakel.' In een poging zijn groeiende treurnis in te dammen, vertel ik hem over de voorname Belgische kunstenaar Rinus Van de Velde, die zijn bewondering voor Pettibon niet alleen in persquotes maar ook in zijn werk laat blijken (zie kader). Bovendien: plaveit een grootschalig initiatief zoals in Maastricht niet de weg naar nog meer openlijke respectbetuigingen? 'Ik hoop het', zucht hij onhoorbaar. 'Ik hoop het.' Ik vraag of het hem op zijn minst geen vorm van vervulling schonk om in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, ver van zijn thuisland, zo'n groot deel van zijn werk gepresenteerd te zien. 'Neen. Voor mij is er geen moment waarop ik de finishlijn overschrijd, mijn handen in de lucht gooi en de eerbewijzen in ontvangst neem. Maakt mij ook niet uit. (stilte) Retrospectieves kunnen zelfs het omgekeerde effect hebben. In plaats van je met lauwerkransen te beladen, herinneren ze je eraan dat je weer verschillende stappen dichter bij de dood bent gekomen.' Ik dank hem voor het gesprek. Hij vraagt hoe lang ik nog in town blijf: misschien verfilmen ze een dezer dagen nog een van zijn scripts en wie toevallig in de buurt is, mag meedoen. Ik moet beleefd weigeren wegens een vlucht te halen, en doe hetzelfde wanneer hij een baseballknuppel uit een ton grist en aanbiedt een balletje te slaan. Zijn assistent zou de werpmachine verderop in zijn atelier in stelling kunnen brengen. Het vooruitzicht onkundig met een massief stuk slaghout in een smalle ruimte in het rond te zwaaien doet me de reikwijdte van mijn reisverzekering overpeinzen: zou die het onopzettelijk verwonden van belangrijke Amerikaanse kunstenaars dekken? Waarmee Pettibon alsnog een spontane grijns op zijn lippen tekent. Hij kan het gelukkig nog.