Niet alle buitenbeentjes werden even liefdevol opgenomen in de kunstcanon als Edgard Tytgat (1871-1957). Elk handboek geeft hem een plaats in het landschap van het Vlaamse expressionisme. En het is waar dat generatiegenoten en gepatenteerde expressionisten als Gust De Smet, Gustave Van de Woestyne, Constant Permeke of Frits Van den Berghe hem als een van de hunnen herkenden.
...

Niet alle buitenbeentjes werden even liefdevol opgenomen in de kunstcanon als Edgard Tytgat (1871-1957). Elk handboek geeft hem een plaats in het landschap van het Vlaamse expressionisme. En het is waar dat generatiegenoten en gepatenteerde expressionisten als Gust De Smet, Gustave Van de Woestyne, Constant Permeke of Frits Van den Berghe hem als een van de hunnen herkenden. André De Ridder, een toonaangevend criticus uit die tijd, besprak Tytgat in één adem met de expressionisten. De Brusselse topgaleriehouder Georges Giroux exposeerde hem evengoed als De Smet en Permeke, die hij ook in het Parijse kunstmekka probeerde te slijten, zonder veel succes. Net zomin als zijn collega's raakte Tytgat ooit aan voldoende bekendheid in het buitenland. Ik vrees dat onze expressionisten te lokaal, misschien zelfs te boers werden bevonden, in een tijd waarin de modernistische orthodoxie weinig afwijkingen van de rechte, kosmopolitische weg waardeerde. Tytgat had eenzelfde ontwapenende blik op het dorpsleven en zijn volkse figuren als de Vlaamse expressionisten. Hij schilderde in hun licht abstraherende, klaar afgetekende stijl, maar dan zonder doorgedreven geometrie in de compositie, zware vervormingen van figuren of fel expressieve borstelstreken. Met Gust De Smet deelde hij de voorkeur voor gezichten met grote, verwonderde ogen. Maar er zit weinig van het canonieke expressionisme in zijn private droomwereld, bevolkt door popperige, roze wezens zonder veel kleren aan het lijf en steevast betrokken in ogenschijnlijk kinderlijke verhalen met ondoorgrondelijke uitlopers, eigenlijk vehikels voor het ventileren van volwassen observaties, gevoelens en soms enigszins geperverteerde lusten. Het werd tijd dat de in Brugge geboren en in Brussel actieve, Franstalige schilder-verteller weer eens een volwassen tentoonstelling kreeg. Het M-museum brengt hem in zes mootjes die zijn inhoudelijke keuzes goed laten uitkomen - de vlucht in een paradijselijk universum, de kermissen en circussen uit zijn kindertijd, de Bijbel, de Griekse mythologie en de Verhalen uit 1001 nacht waaruit hij persoonlijke varianten distilleerde, de spannende situaties met naakte jonge meisjes en vrouwen, de macabere en licht pornografische taferelen met voldoende dubbelzinnigheden om te ontsnappen aan een rechtlijnige interpretatie of morele veroordeling. Doet zijn onschuldige geest een beetje aan Fra Angelico denken, de avontuurtjes waarin monniken betrokken raken, lijken thuis te horen in de aangebrande vertellingen van Giovanni Boccaccio. Bij een zo omvattend panorama van Tytgats kunst valt het op hoe een gevoel voor fijne droge humor hem zelfs in de donkere en nostalgische momenten niet in de steek liet. Dit is misschien het grootste contrast met de doorgaans heilige ernst van de Vlaamse expressionisten. Een tableau uit 1946 waarin hij in 12 becommentarieerde plaatjes Enkele beelden uit het leven van een kunstenaar schildert, verraadt iets van de bijna luchthartige gelijkmoedigheid waarmee hij persoonlijke tegenslagen relativeerde in zijn kunst - de val van een paardjesmolen, het verbod van zijn vader om kunstenaar te worden, de vlucht uit het vaderhuis, de dood van zijn moeder, de miskenning door de overheid en de vraatzucht van de belastingen. Het laatste plaatje verklaart waarom hij dit alles zo blijmoedig verdroeg: met Maria De Mesmaecker, ( 'Mariamon coeur'), zijn muze, enige model en echtgenote, leek het leven een wandeling door het park.