De halve wereld bezoekt het Groeningemuseum om er Van Eyck, Van der Weyden, Van der Goes, Memling, Gerard David en in het beste geval ook Pieter Pourbus te zien, 'de laatste Vlaamse Primitief'. De rest geniet veel minder belangstelling. Zelfs het museum deed er erg lang over om zijn schilders uit de zestiende eeuw eens goed te bekijken. Alsof men gebukt ging onder de algemene overtuiging dat de eeuw van de economische neergang van Brugge geen schilderkunst van belang meer had opgeleverd.
...

De halve wereld bezoekt het Groeningemuseum om er Van Eyck, Van der Weyden, Van der Goes, Memling, Gerard David en in het beste geval ook Pieter Pourbus te zien, 'de laatste Vlaamse Primitief'. De rest geniet veel minder belangstelling. Zelfs het museum deed er erg lang over om zijn schilders uit de zestiende eeuw eens goed te bekijken. Alsof men gebukt ging onder de algemene overtuiging dat de eeuw van de economische neergang van Brugge geen schilderkunst van belang meer had opgeleverd. De expo Pieter Pourbus en de vergeten meesters nu is behalve een fraai kijkstuk ook een nuttige presentatie van recent bestudeerde Brugse oeuvres uit diverse internationale collecties. Zo kunnen de specialisten, oog in oog met de samengebrachte werken, enkele definitieve toeschrijvingen doen en elders nieuwe vraagtekens plaatsen. Het oeuvre van Pourbus was wel al goed in kaart gebracht. Toen de Goudse schilder zich in 1543 in Brugge vestigde, respecteerde hij zowel de religieuze ernst van de Vlaamse Primitieven als de schwung, de decoratieve lust en de fysieke présence in de kunst van zijn tijd, de renaissance. De uitgedunde Brugse handelselite liet zich bovendien graag door hem in beeld brengen als nobel, welvarend en doordrongen van een humanistische geest. Geen twijfel, Pourbus' uitermate verzorgde en levensechte portretten stelen de show. Maar de enkele panelen waarop een andere hand samen met de zijne te zien is, prikkelen de nieuwsgierigheid. Lancelot Blondeel, in wiens atelier hij zijn Brugse carrière begon, was geoefend in het schilderen van waanzinnig verfijnde ornamentele architectuur. De meerwaarde van hun samenwerking blijkt ten overvloede uit De Zeven Vreugden van Maria, een uitbundig kijkstuk. En voor Bewening van Christus, doordrongen van een ingetogen pathetiek, gaf Pourbus grotendeels zijn medewerker Antonius Claeissens de vrije hand. Zo belanden we bij de vergeten meesters, de familie Claeissens. Met de recente toekenning van enkele sleutelwerken aan vader Pieter 1 Claeissens en aan zoon Gillis, kwam er schot in de identificatiecampagne van de hele familie. Kwalitatief hinken de zonen Pieter 2 en Antonius wat achterop, zo lijkt het. Maar voorzichtigheid blijft geboden: de Claeissensen werkten vaak samen aan dezelfde opdrachten in hun atelier in de Oude Zak, zodat het niet altijd duidelijk is wie wat voor zijn rekening nam. Pieter 1 Claeissens is alvast ten onrechte vergeten. Schildertechnisch en stilistisch degelijk, verrassend in zijn compositie, filmisch in zijn beeldopvatting en vertelling. In zijn Gregoriusmis, overgevlogen uit Texas, toont hij in zijaanzicht hoe de paus en een handvol kardinalen, knielend op de trappen van een altaar, in extase opkijken naar een Christus in liliputterformaat, net afgedaald van zijn kruis voor een intiem onderhoud met de hoge geestelijken. Van Gillis, het grootste talent onder de zonen, wist men dat hij het tot hofschilder van de aartshertogen Albrecht en Isabella had geschopt. Pas onlangs werd hij van de vergetelheid gered toen Alexandra Zvereva het monogram op het Portret van Joris van Brakele als het zijne ontcijferde, en meteen voldoende grond onder de voeten had om enkele fantastische portretten niet langer aan een onbekende Franse schilder maar aan Gillis toe te wijzen. Ook hij mag voortaan naast Pieter Pourbus als een vereerde meester in de handboeken staan.