Niemand vroeg de Normandische boerenzoon uit een gezin van negen kinderen ooit om zelf de hand aan de ploeg te slaan. Had hij dat gewild, dan mocht hij met de zegen van de familie rustig gegoede burgers in Parijs portretteren en er het leven van een salonschilder leiden. Aan talent ontbrak het hem niet.
...

Niemand vroeg de Normandische boerenzoon uit een gezin van negen kinderen ooit om zelf de hand aan de ploeg te slaan. Had hij dat gewild, dan mocht hij met de zegen van de familie rustig gegoede burgers in Parijs portretteren en er het leven van een salonschilder leiden. Aan talent ontbrak het hem niet. Maar Jean-François Millet (1814-1875) wilde het een beetje anders doen - hoewel, niet helemaal. Hij verwekte zelf negen kinderen en vereeuwigde de boerenstiel in het tijdperk voor de grote mechanisering. Hij deed dat in tekeningen en schilderijen waarvan er één wereldberoemd werd: L'Angélus, verafgood door niemand minder dan Salvador Dalí. De oppersurrealist liet het doek radiograferen en trof in een onderlaag de contouren van een doodskistje aan op de plaats waar we het mandje veldvruchten zien. De boer en de boerin onderbreken, wanneer de klokken van het kerkje in de verte luiden voor het avondlijke Angelusgebed, even hun arbeid op het veld om te bidden. Wanneer verlangde ik voor het eerst het echte schilderij te bekijken, in plaats van de afbeelding op een koekjestrommel? Misschien pas na het lezen van de brieven van Vincent van Gogh (1853-1890), waaruit een bezeten verlangen spreekt naar een waarachtig kunstideaal dat hij in de eerlijke boerenkunst van Millet verwezenlijkt zag. In de moeizame jaren van het zoeken naar zijn echte roeping vond Vincent in hem een voorbeeldfiguur die een synthese had gevonden tussen Bijbel en natuur, arbeid en gezin, kunst en ideaal. In het nederig kopiëren van tekeningen en schilderijen van Millet vond hij troost. De rustieke figuren die in de Rijselse expo defileren doen bijna alles op eigen kracht. Ze scheiden het kaf van het koren, lezen aren, binden het hooi, zetten aarde om met de hak, kelen varkens en zagen boomstammen door. Voor een goed deel werkzaamheden die tot het agrarische erfgoed behoren. Alom erkend als zware arbeid, maar overgeslagen als onderwerp in de academische schilderkunst. Het scheelde niet veel of Millet werd als een 'revolutionair' versleten, uiteindelijk hield men het bij 'realist'. Zo gelukkig was die term nu ook weer niet gekozen voor een man die zijn boeren stil, lijdzaam en traag hun werk liet doen, gedompeld in de eenzaamheid van de velden onder een zacht licht. Als ze soms al een druppel zweten, dan laten ze het alvast niet merken. Het lijkt wel alsof ze in een andere wereld bezig zijn, een betoverde. Ze zijn enkel van elkaar te onderscheiden door de houding die bij hun bezigheid hoort. Als hij niet telkens het juiste gezichtspunt had gekozen, als hij niet had gekeken hoe zorgvuldig de Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw het licht binnenlieten, als hij geen serene toon had gevonden, geen eenvoudig coloriet en beheerst zinnelijke toets, dan zouden vooral zijn vrouwen er bekaaid af gekomen zijn. Poserend als dromerige herderin, bakkerin, onschuldige baadster, spinster of het vaakst als moeder met kind, waren ze dan zeker besmet met de zoeterigheid van koekjestrommelromantiek. Het zaad van Millet raakte tot in Amerika verspreid. Daar floreerde toen het transcendentalisme, dat de communie met de natuur predikte. Enkele schilders beschouwden Millet als een haast profetisch voorbeeld en zochten hem op in het landelijke Barbizon. Dat verklaart het tweede luik van de expo, Millet USA, zou je denken. Maar vreemd genoeg wordt die generatie in Rijsel overgeslagen en wordt er direct geschakeld naar later. Naar een schilder zoals Edward Hopper, bijvoorbeeld, naar fotografen zoals Walker Evans en cineasten zoals Terence Malik, die inderdaad wel van nabij of van ver de klokken van Millets Angelus hoorden luiden.