'Peter Green was mijn voornaamste mentor', verklaarde Mick Fleetwood ooit aan Rolling Stone. 'De man was een ongelooflijk talent. Ik vind het een eer dat ik ooit met hem het podium mocht delen'. Green werd door vrienden en collega's dan wel als een gitaarvirtuoos bestempeld, hij was zeker niet van het snoeverige type: 'I can't sing, I ain't pretty and my legs are thin', zong hij, niet zonder zelfspot, in één van zijn grootste hits.
...

'Peter Green was mijn voornaamste mentor', verklaarde Mick Fleetwood ooit aan Rolling Stone. 'De man was een ongelooflijk talent. Ik vind het een eer dat ik ooit met hem het podium mocht delen'. Green werd door vrienden en collega's dan wel als een gitaarvirtuoos bestempeld, hij was zeker niet van het snoeverige type: 'I can't sing, I ain't pretty and my legs are thin', zong hij, niet zonder zelfspot, in één van zijn grootste hits. Tot het einde van zijn dagen bleef hij een toonbeeld van bescheidenheid en muzikale integriteit. 'Om je de waarheid te zeggen, ik knoeide er maar op los, zonder goed te weten wat ik deed', vertelde de Londenaar ooit. 'Ik mag van geluk spreken dat ik uit mijn gitaar een geluid wist te persen dat enigszins aanvaardbaar klonk'. Peter Allen Greenbaum, zoals de muzikant voluit heette, was afkomstig uit Bethnal Green en streelde voor het eerst de snaren omstreeks zijn tiende. Hij had een zwak voor Hank B. Marvin van The Shadows, maar zoals veel van zijn generatiegenoten raakte hij al gauw in de ban van de obscure Amerikaanse bluesplaten die toen nog mondjesmaat in Groot-Brittannië werden geïmporteerd. Hij bestudeerde naarstig het werk van Muddy Waters, Buddy Guy en de drie Kings: Albert, B.B. en Freddie. 'Aan die lui dank ik dat ik nooit een gewone baan heb moeten zoeken', zou hij later erkennen. 'Door me hun speelstijl eigen te maken, kon ik meteen als beroepsmuzikant aan de slag'. De bewondering was blijkbaar wederzijds: 'Peter Green heeft de mooiste toon die ik ooit heb gehoord', aldus B.B. King. 'Hij is de enige blanke gitarist die erin slaagt mij koude rillingen te bezorgen'. Zijn eerste stappen als professioneel muzikant zette Green als bassist, maar na een ontmoeting met Eric Clapton besloot hij zich toe te leggen op de leadgitaar. Op zijn negentiende werd hij door John Mayall gevraagd Clapton komen te vervangen bij The Bluesbreakers. Een zo goed als onmogelijke taak, zo leek het. Zeker op een moment dat op talloze muren en schuttingen de slogan 'Clapton is God' begon op te duiken. Maar Mayall was ervan overtuigd dat zijn nieuwe rekruut het potentieel had om nog beter te worden dan diens voorganger. En jawel, Peter Green zou snel opzien baren met zijn lange improvisaties, vol nuance en subtiliteit, en een melodieuze stijl die niet alleen putte uit pop en rock, maar ook uit soul en r&b. Net als voor Eric Clapton, Jeff Beck en Mick Taylor waren The Bluesbreakers voor Green vooral een nuttige leerschool. Na een jaar stapte hij al op om, samen met drummer Mick Fleetwood en bassist John McVie een eigen groep op te richten. In een vooruitziende bui noemde hij ze Fleetwood Mac, naar de ritmesectie, en toeval of niet: beide muzikanten zijn de enigen die tot vandaag de vele personeelswissels en stilistische metamorfoses van het gezelschap hebben overleefd. Ook gitarist Jeremy Spencer, net als Peter Green een adept van Elmore James, werd aan de line-up toegevoegd. Fleetwood Mac trad voor het eerst op tijdens de zomer van 1967, op het British Blues & Jazz festival en hield er prompt een platencontract aan over. Dat resulteerde in februari '68 in een titelloos langspeeldebuut waarop de band blues combineerde met heavy rock. Behalve over een vloeiend, hoogst expressief gitaargeluid bleek Peter Green ook over een gruizige zangstem te beschikken en de nieuwe sound sloeg aan: de plaat resideerde meer dan een jaar in de Britse hitlijsten. Aanvankelijk speelde Fleetwood Mac overwegend bluesstandards, maar het zou niet lang duren voor Green met introspectieve eigen composities op de proppen kwam. Het instrumentale Albatross bereikte in 1968 de hoogste plek in de pop charts en was één van de populairste nummers die hij ooit schreef, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het sterke gelijkenissen vertoont met Chuck Berry's Deep Feeling uit 1957. Maar zelf had de oerrocker dan weer de mosterd gehaald bij Floyd's Guitar Blues, een opname van Andy Kirk & His 12 Clouds of Joy uit 1939. Andere hits als Black Magic Woman, Man of the World en Need Your Love So Bad zouden elkaar in snel tempo opvolgen. 'Hoe zeer ik ook van blues houd, het formaat is me te beperkt', vertrouwde Peter Green in 1998 een journalist van Guitarist Magazine toe. 'Voor mijn eigen songs hield ik me ver van bluesstructuren. Tegenoordig luister ik vooral naar Arabische en Chinese muziek, of naar Griekse bouzouki-ensembles'. Uiteindelijk was Green slechts te horen op de eerste drie langspelers van Fleetwood Mac: het debuut, Mr. Wonderful uit '68 en, misschien wel de beste en meest gevarieerde plaat van de band, Then Play On uit '69. In privé-situaties was de man opvallend zwijgzaam. Hij sprak vooral met zijn gitaar en voelde zich net zozeer op zijn gemak in psychedelische jams als in gevoelige ballads. Met het in twee delen uiteenvallende, vaak gecoverde Oh Well (Part 2 was een akoestische instrumental) schreef Green één van zijn onsterfelijkste songs. Toch vond hij het steeds moeilijker om met het succes om te gaan. Vooral het legertje gitaristen dat hem op het schild hees als rolmodel bezorgde hem een onbehaaglijk gevoel.Tijdens het Californische gedeelte van een Amerikaanse tournee raakte de frontman van Fleetwood Mac in de greep van ene Augustus Owsley Stanley, de beruchte lsd-dealer die ook The Grateful Dead en schrijver Ken Kesey (die van One Flew Over the Cuckoo's Nest) van geestverruimende snoepjes voorzag. Volgens Mick Fleetwood gebruikte Peter Green in diezelfde periode ook mescaline, een bijzonder krachtige hallucinogene drug, en begon hij steeds vaker last te krijgen van mentale problemen. Zijn geestesziekte, die hem de komende jaren nog heel wat parten zou blijven spelen, werd uiteindelijk gediagnosticeerd als door drugs uitgelokte schizofrenie. De laatste single die Peter Green met Fleetwood Mac opnam, was het even indringende als psychotische The Green Manalishi, misschien wel het beste nummer dat ooit uit zijn pen vloeide. Over de ontstaansgeschiedenis vertelde hij aan het Britse Mojo Magazine: 'Ik droomde dat ik dood was. Ik kon me niet meer bewegen en moest echt vechten om mijn geest terug in mijn lichaam te krijgen. Toen ik wakker werd en om me heen keek was ik omgeven door duisternis. Uiteindelijk merkte ik dat ik bezig was een song te schrijven. Over hebzucht en materialisme. The Green Manalishi was gewoon een synoniem voor geld'. Peter Green was ervan overtuigd geraakt dat hij veel teveel geld op de bank had staan. Hij ging een tijdje in een commune leven en begon systematisch alle materiële bezit af te zweren. Tijdens zijn laatste optredens met Fleetwood Mac droeg hij een crucifix en een monnikspij. 'Ik moet doen wat God me heeft opgedragen en iets positiefs doen', legde hij uit, toen hem gevraagd werd naar het waarom van zijn transformatie. 'Als dat betekent dat ik uit de publieke belangstelling moet verdwijnen, heb ik daar vrede mee'. In mei 1970 trok Green de deur bij Fleetwood Mac voorgoed achter zich dicht. Hij schonk zijn Bentley en zijn fortuin aan liefdadigheidsinstellingen en verdween voor tien jaar van het toneel. In die periode werd hij meerdere keren -en soms voor lange tijd- opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen. In '78 trouwde hij met de Canadese Jane Samuels, de moeder van zijn dochter Rosebud, maar het huwelijk zou slechts een klein jaar stand houden. Tussen 1970 en '84 bracht Peter Green zeven soloplaten uit en tussen '97 en 2004 ging hij weer de hort op met zijn Splinter Group. Maar ook al bleef zijn reputatie dankzij zijn werk uit de sixties onaangetast, veel rimpels in het muzieklandschap zou hij niet meer veroorzaken. Hij woonde een poosje in Zweden en bracht zijn tijd hoofdzakelijk door met slapen en vissen. Na Greens vertrek bij Fleetwood Mac kwam Christine Perfect, de voormalige zangeres van Chicken Shack en de latere mevrouw McVie, de groep vervoegen en met de komst van Stevie Nicks en Lindsey Buckingham in 1975 transformeerde het gezelschap zich in een succesvolle popband die twee jaar later met Rumours één van de succesrijkste platen ooit zou afleveren. Het kleinood ging 45 miljoen keer over de toonbank en wordt terecht als een mijlpaal beschouwd, maar met de Fleetwood Mac van Peter Green had het volstrekt niets meer te maken. Ook al maakte de oorspronkelijke frontman slechts drie jaar deel uit van de groep, zijn bewonderaars vallen, tot op heden, nauwelijks te tellen. Geezer Butler van Black Sabbath omschrijft Green als 'één van de allergrootsten', David Coverdale van Whitesnake noemt hem 'een zanger en songschrijver die je de adem afsnijdt'. Volgens Peter Frampton was hij dan weer 'één van de smaakvolste gitaristen ooit'. Zijn werk werd door honderden artiesten opgenomen, onder wie Joe Jackson, Chris Spedding, Santana, Lee Ranaldo, Bert Dockx, Jimmy Page & The Black Crowes, Tom Petty & The Heartbreakers, Billy Gibbons van ZZ Top en The Melvins. Peter Green, die volgens intimi vredig in zijn slaap overleed, laat een zoon, een dochter en een boeiende songcatalogus na. In 1969 zong hij in Man of The World: 'Guess I've got everything I need / I wouldn't ask for more / And there's no one I'd rather be / But I just wish that I'd never been born'. De paradox in het karakter van Peter Green, in vier regels blootgelegd: dit was een man die alles had, maar geen flauw idee had van wat hij er mee aan moest vangen. Maar misschien was zijn voornaamste boodschap wel deze: in de wereld van de rockmuziek kun je ook je stempel drukken zonder dat je in het sterrensysteem hoeft mee te draaien.