Was een remake van deze Disney-klassieker wel nodig? De originele film, uit 1941, blijft na bijna tachtig jaar fier overeind als een wonderlijk meesterwerk, goed voor wervelende animatie, volgesnoten zakdoeken en een catharsis waar je nog weken mee voortkunt. Tegelijk is het een product van zijn tijd (en van zijn maker), dat een aantal elementen bevat die anno 2019 niet meer bij Disney passen. Om te beginnen is het een hele harde film, waarin Walt Disney geen spaander van de kleine olifant heel laat. Dumbo wordt dwars door de hel gestuurd, en zijn eenzaamheid lijkt bij momenten zo absoluut en onoverkomelijk dat het haast fysiek pijn doet om naar te kijken. Kinderen waren ten tijde van de Tweede Wereldoorlog misschien nog een pak geharder dan nu, of anders werden ze verondersteld het te zijn.
...

Was een remake van deze Disney-klassieker wel nodig? De originele film, uit 1941, blijft na bijna tachtig jaar fier overeind als een wonderlijk meesterwerk, goed voor wervelende animatie, volgesnoten zakdoeken en een catharsis waar je nog weken mee voortkunt. Tegelijk is het een product van zijn tijd (en van zijn maker), dat een aantal elementen bevat die anno 2019 niet meer bij Disney passen. Om te beginnen is het een hele harde film, waarin Walt Disney geen spaander van de kleine olifant heel laat. Dumbo wordt dwars door de hel gestuurd, en zijn eenzaamheid lijkt bij momenten zo absoluut en onoverkomelijk dat het haast fysiek pijn doet om naar te kijken. Kinderen waren ten tijde van de Tweede Wereldoorlog misschien nog een pak geharder dan nu, of anders werden ze verondersteld het te zijn. Na de scheiding van zijn moeder vindt Dumbo, nauwelijks een paar dagen oud, troost in de alcohol. Hij drinkt per ongeluk champagne en wordt na een psychedelische, door roze olifanten bevolkte droom wakker in een boom. Van een luchtdoop gesproken. Dat kun je in 2019 natuurlijk niet meer doen, net zoals je geen groepje kraaien meer kunt neerzetten als coole, rokende, luierende brothers. En al helemaal niet als je de leider van die bende Jim Crow noemt, de verzamelnaam ook voor de segregatiewetten die toen nog van kracht waren in het zuiden van de Verenigde Staten. Het was niet de enige keer dat Walt racistische trekjes vertoonde. Eén ding is zeker: als Disney de fabel van een outcast in een bontgekleurde circuswereld per se opnieuw wilde verfilmen, dan was Tim Burton de enige valabele kandidaat. Hij is de man achter outcasts als Edward Scissorhands en Batman, fabels als Sleepy Hollow en Big Fish en bontgekleurde werelden als Willy Wonka's chocoladefabriek en Gotham City. Hij is ook de regisseur die zichzelf al een leven lang als misfit ziet en als geen ander moet begrijpen wat de olifant met de grote oren doormaakt. En hij is een man die het Huis van de Muis kent, niet alleen door zijn versie van Alice in Wonderland, maar ook omdat hij er - weinig mensen weten dit - veertig jaar geleden begon als animator. Dat hij nu terugkeert en een groot deel van de familie meebrengt die hij in de loop van de jaren om zich heen heeft verzameld - Danny DeVito, Michael Keaton, Eva Green, Alan Arkin - maakt ergens in een bontgekleurde parallelle wereld een heel erg vreemde cirkel rond. Tim Burton: Ik hou van Dumbo en waar hij voor staat: die kleine rare figuur die er niet bij hoort. De mensen lachen hem uit, ze noemen hem een freak.... En dan gebruikt hij precies dat wat hem raar maakt om iets uitzonderlijks te doen: vliegen. Wat waren je herinneringen aan het origineel? Burton: Het wonderlijke aan die oude Disney-films, is dat het net vreemde dromen zijn die je ooit eens hebt gehad. Ik herinnerde me niet meer het hele verhaal of wanneer ik Dumbo voor het eerst gezien had, maar sommige beelden stonden wel nog op mijn netvlies gebrand. En wat me nog het meest was bijgebleven, was de impact die Dumbo op mij had. Dat was de kracht van Disney: je leerde over blijheid en vrolijkheid en vriendschap, maar ook over angst, melancholie en de dood. Mijn plan voor de nieuwe Dumbo was dan ook niet dezelfde film nog eens maken, maar wel precies dezelfde emoties oproepen als ikzelf bij het origineel had ervaren. Sommige dingen moesten sowieso anders, zoals Dumbo's eerste vlucht: met een dronken babyolifant kun je nu niet meer afkomen. Burton: Andere tijden. Maar ik zou het sowieso niet gedaan hebben, want ik wilde die luchtdoop heel puur houden. Alcohol is een gemakkelijk excuus, dat weten we allemaal. (lacht) We hebben wél een roze olifant, want dat was zo'n sterk beeld in het origineel. En toch: als het personage van Danny DeVito zegt: 'Geen alcohol in de buurt van de baby!', dan klinkt dat als een lijn die de CEO van Disney je op een vergadering heeft toegevoegd. Burton: (grijnst) Weet ik. Daarom hebben we dat zinnetje ook opgenomen, als ons eigen kleine grapje. No booze for the baby!Dus het familiebedrijf Disney vraagt de gepatenteerde vreemde snuiter Tim Burton om een van zijn grootste klassiekers onder handen te nemen zónder hem eerst een lijstje do's-and-don'ts mee te geven? Burton: Dat heet vertrouwen! Kijk, toen ze me vroegen, dacht ik echt niet (wrijft in de handen): 'Haha, hier ga ik nu eens iets heel raars mee aanvangen!' Ik schop graag keet, maar nu ook weer niet zo veel. Het is trouwens niet te voorspellen wat kinderen eng zullen vinden of niet. Ik was een paar jaar geleden op een screening van de originele Pinokkio (1940). Kinderen liepen huilend de zaal uit. Toch doet Dreamland, het pretpark van Michael Keatons personage in de film, denken aan Disneyland. En tegelijk is het je reinste nachtmerrie. Burton: O, maar ik vind Disneyland zelf helemaal geen nachtmerrie. Toen ik er in de eighties voor het eerst kwam, kon ik alleen maar denken: 'Wow, ik wil ook pretparken ontwerpen!' Nu heb ik eindelijk de kans gekregen, al was het maar voor een film. Veel plezier aan beleefd. En wat vind je van de kritiek dat Disney een geldmonster geworden is, dat gevoed wordt met merchandise en live-actionremakes? Burton: Weet ik niet. Ik heb niet het brein van een zakenman, dus dat houdt me niet bezig. Toen ik Alice in Wonderland maakte, was het niet met de gedachte van honderd miljoen dollar te verdienen, wel omdat het vreemde ervan me aantrok. Bij Dumbo ligt de kritiek nog meer voor de hand, omdat er intussen al een flink aantal remakes van Disney-klassiekers geweest zijn. Voor mij is dat ook eerder een argument om het níét te doen, maar eigenlijk denk ik: 'Dit is mijn verhaal, dit is Dumbo. Ik ben Dumbo. En daarom moet ik dit vertellen.' Dumbo is remake, sequel en alternatieve vertelling in één. Was het lastig om te weten wat je moest houden en wat niet? Burton: Niet wat de kraaien betreft: iedereen weet dat die eruit moesten. (lacht) Ernstig nu: het was niet evident, want in tegenstelling tot bijvoorbeeld Star Wars wist ik niet wat mensen van Dumbo verwachtten: wilden ze hem opnieuw dronken zien? Wilden ze pratende dieren? Ik wist alleen wat ík wilde doen: de primaire gevoelens van dat kleine olifantje op een heel primaire manier tonen. Hij praat niet in mijn versie, maar alle mensen om hem heen weerspiegelen zijn emoties: de kinderen die hun moeder verloren hebben, de circusartiesten die net als hij misfits zijn, de trapezeartieste Colette (Eva Green, nvdr.) die niet op haar plaats is. Op die manier hebben we een nieuwe film gemaakt, met een paar visuele knipogen naar vroeger én met de esprit van het origineel. Je bent wel heel lief voor die kleine olifant, die van Walt Disney eerst door een ware hel moest voor hij verlossing vond. In de nieuwe film ontbreekt het hem geen seconde aan liefde. Burton: Klopt. Het verschil is dat de mensen van het circus hem graag zien, omdat ze net als hij allemaal misfits zijn. Het was voor mij belangrijk dat hij omringd werd door mensen die zeiden: 'Wij weten hoe het voelt om anders te zijn en uitgelachen te worden. Kom maar hier, kleine schat.' Als je het zo stelt, lijkt de film wel autobiografisch. Burton: (lacht) Wat kan ik zeggen? Iedereen heeft zijn type. Ik heb het net gezegd: je zult me niet gauw tegenkomen op een zakenconventie. Je hebt mensen die graag met dat soort lui optrekken, ik heb het meer voor de freaks. Omdat je jezelf ook als een freak ziet? Burton: Omdat mensen me altijd al zo bestempeld hebben. Ik ben opgegroeid in Burbank, Californië, en nog voor ik van voren wist dat ik langs achteren bestond, werd mij gezegd: 'Jij bent raar.' Het was een soort racial profiling zonder het ras, weet je wel? 'Jij bent een freak, jij een nerd, jij bent goed in sport...' Ik heb dat altijd gehaat. En dus hou ik van Dumbo. Voor een outcast ben je wel goed omringd. Michael Keaton, Danny DeVito, Eva Green, Alan Arkin... Elke dag op de set moet op een familiereünie geleken hebben. Burton: Samen met je familie een familiefilm mogen maken: mooier dan dat wordt het niet, toch? En Michael Keaton was de verloren zoon. Wist je dat ik die gast al twintig jaar niet meer gezien had? Twintig jaar! Hij komt terug, kijkt Danny DeVito in de ogen en plots is het weer 1991, het jaar waarin we samen Batman Returns maakten. Je zou voor minder zin krijgen in een sequel van Beetlejuice. Danny en ik hadden samen al twee circusfilms op onze naam: hij stond zowel in Batman Returns als in Big Fish aan het hoofd van een circusbende. Ik belde hem op en zei: 'Danny, dit is het sluitstuk van de Danny DeVito Circus Trilogy. Hierna geen circus meer voor jou!' Moet je veel van het circus houden om drie circusfilms te maken? Burton: Nee, hoor. Er zijn een paar dingen waar ik niet goed tegen kan: dieren in gevangenschap, halsbrekende stunts en clowns, want die jagen me de stuipen op het lijf. Dan heb je zowat het hele circus, niet? Waar ik wel altijd van gehouden heb, is die uitdrukking die we in Amerika hebben: running away with the circus. Het idee dat je je als outcast kunt aansluiten bij een andere bende outcasts. In Dumbo zijn artiesten te zien uit China, Rusland, Mongolië... Van overal, eigenlijk. Je zag ze op de set samen jongleren, met messen gooien, verbroederen. Heeft iemand eigenlijk al geturfd in hoeveel opzichten dit een familiefilm is? (lacht)Heb je een favoriete circusfilm? Burton: Circus of Horrors (een Britse horrorfilm uit 1960, nvdr.) is geweldig. Die moet je echt zien. En nog een andere Disney-film die je zou willen herwerken? Burton: Cats from Outer Space. Geen animatiefilm, maar vreemde scifi uit de seventies met een echte poes in de hoofdrol. Tijd dat we naar de moderne Disneyfilm overstappen. (lacht)Werk nooit met dieren en kinderen, luidt nochtans het devies. Hoe is het om een onzichtbare, door cgi gecreëerde olifant te regisseren? Burton: Raar. Je doet al dat werk met die enorme sets en acrobaten en steracteurs en de reden waarom je het doet, het middelpunt van de belangstelling, is er niet. Bovendien is het niet makkelijk om een olifant geloofwaardig te laten vliegen. Daar is dus flink wat tijd in gekropen, maar het was wel een leuke uitdaging. Ligt de verantwoordelijkheid daarvoor niet in de eerste plaats bij de kijker? Iets werkt toch alleen als hij het wíl geloven? Burton: Dat klopt, maar vergis je niet: als filmmaker kun je dingen doen die het minder geloofwaardig maken, en andere dingen die de kijker vooruithelpen. Je zei daarnet dat je niet van dieren in gevangenschap houdt. Was het van belang dat Dumbo op het einde ontsnapt? Burton: Het is natuurlijk in zekere zin ook een symbolische, emotionele ontsnapping. Maar ergens klopt het wel. Je ziet op het einde dat het circus geen wilde dieren meer gebruikt, wat we in de film overigens ook niet gedaan hebben. De enige échte dieren op de set waren honden en paarden, en hier en daar een vogel. Ik werd als kind echt ongemakkelijk toen ik zag hoe wilde, trotse dieren idiote kunstjes moesten doen. Het was net slavernij. En dat kun je ook van de dierentuin zeggen. Is dat de voornaamste boodschap van je film? Burton: Eigenlijk wilde ik nog iets anders kwijt. Als je vandaag naar de politiek kijkt, naar het internet, overal eigenlijk, dan komt er een tsunami van tegenstrijdige, hoogoplopende emoties op je af. Ik begrijp niks meer van de wereld, dus wilde ik een heel eenvoudig verhaal tegenover de chaos plaatsen, vol eenduidige, pure gevoelens. Meer nog: ik vond dat ik dat móést doen.