Oscars won The Master niet, en ook het publiek daagde niet in dichte drommen op. Dat krijg je nu eenmaal met een film die, ondanks zijn klassieke aankleding en schitterende sterrencast, koppig weigert om zich te laten labelen en naarmate de tijd verstrijkt, aanzwelt tot een duistere, desoriënterende monoliet.

Paul Thomas Anderson, die ook al de beste film van het voorgaande decennium op zijn cv had - het oliedonkere There Will Be Blood (2007) - focust in zijn zesde langspeler op het eeuwige conflict tussen rede en instinct, mens en omgeving, tijd en ruimte en bij uitbreiding op de transformerende kracht van cinema. En dat met een vertelstructuur die een loopje neemt met de traditionele drieakter en met majestueuze 70mm-beelden die je terugflitsen naar het Amerika van kort na de Tweede Wereldoorlog.

Alles in deze hallucinante trip draait om het verbeten, psychologische duel tussen Freddie Quell (Joaquin Phoenix, intens als altijd), een getroebleerde oorlogsveteraan, en Lancaster Dodd (de inmiddels betreurde Philip Seymour Hoffman), de charismatische en megalomane leider van een sekte die zich The Cause noemt. Dodd, die zijn dociele volgelingen aan 'audities' onderwerpt waarbij ze met gesloten ogen vorige levens en traumatische ervaringen herbeleven, ontfermt zich over de impulsieve Freddie. Al laat Freddie, die afwisselend als verloren zoon, psychologisch experiment en mentale slaaf wordt behandeld, zich niet zo makkelijk kooien door Dodds uitzinnige theorieën en pseudowetenschappelijke praktijken, met alle conflicten, excessen en cinefiele extase van dien.

Hoewel Anderson zich voor Dodd baseerde op L. Ron Hubbard, de oprichter van Scientology, dat in Hollywood al decennialang goed gedijt, gaat The Master niet over de begindagen van de omstreden sekte, en ook niet over soldaten die kampen met posttraumatische stress en zich te pletter zuipen en neuken. De film gaat wél over de strijd tussen pupil en (ersatz)vader, over de extreme limieten van geest en moraal en over falende instituten als patriarchaat, vaderland en familie. Het zijn thema's die PTA al verkende in Boogie Nights (1997), Magnolia (1999) en There Will Be Blood, en die ook de kern vormen van zijn naar patchoelie geurende Thomas Pynchon-adaptatie Inherent Vice (2014) en zijn sadomasochistische haute-couturedrama Phantom Thread (2018), films waarmee hij zijn status van Amerika's meest toonaangevende, deugddoend dwarse filmauteur alleen maar versterkte.

Als geen ander weet Anderson een eigen universum te creëren waarin psychologisch realisme, gestileerd melodrama en hallucinante schijnwerkelijkheid voortdurend door elkaar vloeien. Ook The Master is een film die zoekt en vindt, slaat en zalft, fluistert en schreeuwt tegelijk, zelfs na meerdere visies en dik acht jaar na zijn release. In die zin hoeft het niet te verwonderen dat hij destijds gemengde kritieken kreeg (behalve in deze kolommen, du-uh) en de meeste awards aan zich moest laten voorbijgaan, met zijn neo-expressionistische soundtrack (van Radiohead-gitarist Jonny Greenwood), zijn sequentiële structuur, zijn faux-nostalgische pelliculepracht (van cameraman Mihai Malaimare Jr.) en zijn veeleer Europees aandoende nadruk op het psychologische.

Hoewel The Master zich, net als Andersons andere films, afspeelt in een welgedefinieerd verleden, is het allesbehalve een vrijblijvende nostalgietrip. Het is een opus dat zich heel erg bewust is van zijn plek in de (film)geschiedenis (let op de invloeden van John Huston, Stanley Kubrick en Elia Kazan) en dat zich al even bewust distantieert van het goedkope sentiment dat vaak met historische films gepaard gaat. Om maar te zeggen: The Master is een meesterlijke film.

Oscars won The Master niet, en ook het publiek daagde niet in dichte drommen op. Dat krijg je nu eenmaal met een film die, ondanks zijn klassieke aankleding en schitterende sterrencast, koppig weigert om zich te laten labelen en naarmate de tijd verstrijkt, aanzwelt tot een duistere, desoriënterende monoliet. Paul Thomas Anderson, die ook al de beste film van het voorgaande decennium op zijn cv had - het oliedonkere There Will Be Blood (2007) - focust in zijn zesde langspeler op het eeuwige conflict tussen rede en instinct, mens en omgeving, tijd en ruimte en bij uitbreiding op de transformerende kracht van cinema. En dat met een vertelstructuur die een loopje neemt met de traditionele drieakter en met majestueuze 70mm-beelden die je terugflitsen naar het Amerika van kort na de Tweede Wereldoorlog. Alles in deze hallucinante trip draait om het verbeten, psychologische duel tussen Freddie Quell (Joaquin Phoenix, intens als altijd), een getroebleerde oorlogsveteraan, en Lancaster Dodd (de inmiddels betreurde Philip Seymour Hoffman), de charismatische en megalomane leider van een sekte die zich The Cause noemt. Dodd, die zijn dociele volgelingen aan 'audities' onderwerpt waarbij ze met gesloten ogen vorige levens en traumatische ervaringen herbeleven, ontfermt zich over de impulsieve Freddie. Al laat Freddie, die afwisselend als verloren zoon, psychologisch experiment en mentale slaaf wordt behandeld, zich niet zo makkelijk kooien door Dodds uitzinnige theorieën en pseudowetenschappelijke praktijken, met alle conflicten, excessen en cinefiele extase van dien. Hoewel Anderson zich voor Dodd baseerde op L. Ron Hubbard, de oprichter van Scientology, dat in Hollywood al decennialang goed gedijt, gaat The Master niet over de begindagen van de omstreden sekte, en ook niet over soldaten die kampen met posttraumatische stress en zich te pletter zuipen en neuken. De film gaat wél over de strijd tussen pupil en (ersatz)vader, over de extreme limieten van geest en moraal en over falende instituten als patriarchaat, vaderland en familie. Het zijn thema's die PTA al verkende in Boogie Nights (1997), Magnolia (1999) en There Will Be Blood, en die ook de kern vormen van zijn naar patchoelie geurende Thomas Pynchon-adaptatie Inherent Vice (2014) en zijn sadomasochistische haute-couturedrama Phantom Thread (2018), films waarmee hij zijn status van Amerika's meest toonaangevende, deugddoend dwarse filmauteur alleen maar versterkte. Als geen ander weet Anderson een eigen universum te creëren waarin psychologisch realisme, gestileerd melodrama en hallucinante schijnwerkelijkheid voortdurend door elkaar vloeien. Ook The Master is een film die zoekt en vindt, slaat en zalft, fluistert en schreeuwt tegelijk, zelfs na meerdere visies en dik acht jaar na zijn release. In die zin hoeft het niet te verwonderen dat hij destijds gemengde kritieken kreeg (behalve in deze kolommen, du-uh) en de meeste awards aan zich moest laten voorbijgaan, met zijn neo-expressionistische soundtrack (van Radiohead-gitarist Jonny Greenwood), zijn sequentiële structuur, zijn faux-nostalgische pelliculepracht (van cameraman Mihai Malaimare Jr.) en zijn veeleer Europees aandoende nadruk op het psychologische. Hoewel The Master zich, net als Andersons andere films, afspeelt in een welgedefinieerd verleden, is het allesbehalve een vrijblijvende nostalgietrip. Het is een opus dat zich heel erg bewust is van zijn plek in de (film)geschiedenis (let op de invloeden van John Huston, Stanley Kubrick en Elia Kazan) en dat zich al even bewust distantieert van het goedkope sentiment dat vaak met historische films gepaard gaat. Om maar te zeggen: The Master is een meesterlijke film.