Een festival dat in juli plaatsvond onder een stralende zomerzon. Niet volledig gevaccineerde journalisten die om de 48 uur aan een speekseltest onderworpen werden. Mondmaskerplicht in en rond de zalen. Aanzienlijk minder feestjes en internationale sterren op de rode loper. Nee, niemand zal beweren dat de 74e editie van 's werelds grootste filmfestival er een comme d'habitude was. Maar in tegenstelling tot vorig jaar kon het tenminste doorgaan. Dat zullen cinefielen aller landen, geslachten en gezindten geweten hebben.
...

Een festival dat in juli plaatsvond onder een stralende zomerzon. Niet volledig gevaccineerde journalisten die om de 48 uur aan een speekseltest onderworpen werden. Mondmaskerplicht in en rond de zalen. Aanzienlijk minder feestjes en internationale sterren op de rode loper. Nee, niemand zal beweren dat de 74e editie van 's werelds grootste filmfestival er een comme d'habitude was. Maar in tegenstelling tot vorig jaar kon het tenminste doorgaan. Dat zullen cinefielen aller landen, geslachten en gezindten geweten hebben. Het was hoe dan ook een vreemde maar deugddoende editie en dus ging de Gouden Palm geheel toepasselijk naar een vreemde maar deugddoend radicale film: Titane van Julia Ducournau. Dat gaf juryvoorzitter Spike Lee al mee aan het begin van de slotceremonie, waardoor zelfs de prijsuitreiking de vreemdste in jaren was. Die bekroning kwam als een verrassing aangezien Titane, een bodyhorrortrip over een vrouw met een titaniumplaat in haar hoofd en een fetisj voor auto's en gekwetste vaderfiguren, de meest polemische en tegelijk de zotste titel in de hoofdcompetitie was. Ducournau is overigens pas de tweede vrouw in de geschiedenis van het festival die de hoofdvogel afschiet. (Jane Campion ging haar in 1993 voor met The Piano.) Onbetwiste meesterwerken ontbraken, maar het niveau lag bevredigend hoog. Velen zagen in Asghar Farhadi's dilemmadrama A Hero de ideale consensuskandidaat, maar de Iraniër moest zich tevredenstellen met de Grand Prix, de officieuze Zilveren Palm die hij moest delen met Compartment No. 6 van de Fin Juho Kuosmanen. Leos Carax, het buitenbeentje van de Franse cinema, werd dan weer uitgeroepen tot beste regisseur voor zijn excentrieke rockopera Annette. De Israëli Nadav Lapid en de Thai Apichatpong Weerasethakul mochten de Juryprijs delen voor respectievelijk Ahed's Knee en Memoria, terwijl de Japanner Ryusuke Hamaguchi de prijs voor het beste scenario won met Drive My Car, de film die in de vakbladen de hoogste scores kreeg toebedeeld. Ook de Belgen maakten een prima beurt. Joachim Lafosse viel naast het compromisloze palmares, maar oogstte applaus met Les intranquilles, een relatiestudie over een man die kampt met een bipolaire stoornis. In de nevensectie Un Certain Regard, waar nieuwere stemmen worden gestald, lieten twee jonge Belgische vrouwen zich opmerken. De dardenniaanse debuutfilm Un monde van Laura Wandel, over wat een zesjarig meisje op school lijden kan, was goed voor de Fipresci-prijs. La Civil van de Vlaams-Roemeense Ana Mihai, het portret van een Mexicaanse moeder die op zoek gaat naar haar ontvoerde dochter, werd bekroond met de Audacity Award (de prijs voor durf). Aan durf ontbrak het overigens weinig filmmakers dit jaar, en niet louter wat esthetische keuzes betreft. Dat Paul Verhoeven keet zou schoppen met zijn lesbischenonnenfilm Benedetta en zijn Mariabeeldje dat dienstdeed als dildo, daar hoefde je geen weesgegroetje voor te prevelen. Maar ook andere, vooral vrouwelijke filmmakers schroomden niet voor stomende seks- en naaktscènes. Meer nog: nooit was er zo veel orale seks te zien als dit jaar, met als hoogtepunt Adam Driver die Marion Cotillard al zingend beft in Annette, zonder daarbij naar adem te happen. Cannes is nooit een mekka van kuisheid geweest, maar de openhartige omgang met seks sprong hoe dan ook in het oog, net als de open kijk op familierelaties. Hoewel veel films werden geconcipieerd nog voor het uitbreken van de pandemie, leek het wel alsof men een statement voor individuele vrijheid (van expressie) en tegen controledrang en sociale restricties wilde maken. Bovendien waren er opvallend veel regisseurs - man, vrouw, wit, zwart - die zowel op doek als tijdens interviews kritiek uitten op het oprukkende nieuwe moralisme. Het was alsof ze, samen met festivaldirecteur Thierry Frémaux én Spike Lee en zijn jury, in herinnering wilden brengen dat cinema in de eerste plaats over cinema gaat, over vormen en ideeën, over emoties en empathie, over mensen en hun gebreken, en zich bijgevolg niet moet laten muilkorven door dogmatisch denken dat kunstwerken afweegt in termen van kleur, gender, genre of ideologie. Zo voelde het festival, zelfs zonder decadente party's en met mondmasker op, in meerdere opzichten als een bevrijdingsfeestje, als een bruisend en briesend ontwaken uit het steriele totalitarisme van de politieke correctheid.