1. The Wild Goose Lake (Diao Yi'nan, competitie)

Vijf jaar geleden won Diao Yi'nan de Gouden Beer in Berlijn met de sociaal gechargeerde whodunitBlack Coal, Thin Ice, het indringende bewijs dat ze ook in het land van de Draak uitmuntende genrecinema kunnen fabriceren. Nu mag de Chinese regisseur proberen om ook de Gouden Palm op zijn palmares te zetten. Dat doet hij door opnieuw de grauwe, neonverlichte marge van Xi Jinpings modelmaatschappij in te duiken, dit keer in het kielzog van een biker op de vlucht en een jonge vrouw, die er alles voor over heeft om haar vrijheid terug te winnen. Samen willen de twee outcasts hun laatste slag slaan in een treinstation, wat een grimmige, sociaal beladen gangsterfilm belooft die net zo goedOnce Upon a Time in South Chinahad kunnen heten. Benieuwd alvast hoe wild Yi'nans eenden precies zijn, nu de Chinese censuur de teugels weer strakker heeft aangehaald.

2. Dolor y gloria (Pedro Almodóvar, competitie)

'All About Myself.' Zo kopte The Hollywood Reporter over de nieuwste creatie van Cannes-habitué Pedro Almodóvar, knipogend naar zijn Oscarwinnaar All About My Mother, oftewel Todo sobre mi madre in zijn moerstaal. De movidamaestro richt zijn camera dit keer namelijk op zichzelf, of toch op een alter ego: een ouder wordende en fysiek aftakelende regisseur (Antonio Banderas, mét groezelige baard) die herinneringen ophaalt aan vroeger. Als we de eerste Spaanse recensies mogen geloven is het resultaat een melancholische en somptueus gefilmde mijmering over de luimen van de liefde en de kunst, die meer focust op de pijn dan op de glorie, en waarin Pedrito al zijn dada's - moederliefde, (homo)seksualiteit, nostalgie en Penélope Cruz - met brede stroken tegen het doek borstelt.

3. The Lighthouse (Robert Eggers, Quinzaine des réalisateurs)

Drie jaar geleden scoorde Robert Eggers een bescheiden hit met The Witch, een historische huivertrip die op Sundance de rillingen over de ruggen liet rollen. In afwachting van zijn remake van Nosferatu - F.W. Murnau's moeder aller vampierfilms - mag Eggers proberen om nu ook op de Croisette voor angst- en jubelkreten te zorgen. En dat met The Lighthouse, een op 35-millimeter geschoten horrorfilm in zwart-wit. Veel is er niet over de film bekend, behalve dat de plot draait om twee vuurtorenwachters anno 1900, en dat die worden gespeeld door Willem Dafoe en Robert Pattinson, die kennelijk zo druk in de weer zijn met bovennatuurlijke krachten dat ze geen tijd hebben om zich te scheren. The Lighthouse is geproduceerd door A24, een keurmerk dat eerder superieur horrorspul als It Comes at Night en A Ghost Story loste, en is nu al een hot ticket op de Quinzaine, het nevenfestival dat altijd al oog had voor het betere genrewerk.

4. Parasite (Bong Joon-ho, competitie)

Na zijn Engelstalige excursies Snowpiercer en Okja - de Netflix Original die twee jaar terug voor bonje zorgde tussen het festival en de streaminggigant - keert Bong Joon-ho terug naar zijn Koreaanse heimat om er de klassenstrijd een bloedige draai te geven. In Parasite volgt hij een jongeman en zijn werkloze familie die een bijzondere interesse kweken in een rijke clan, tot een gewelddadig incident hen in nog nauwere schoentjes brengt. Het is gissen waar de film verder over gaat - ons Koreaans is wat roestig - , maar de geloste beelden zien er even bevlogen uit als die van Bongs meesterlijke Memories of Murder, The Host en Mother. En gegarandeerd zit er ook opnieuw een scheut donkere humor in zijn sociaal geëngageerde suspensedrama. Benieuwd of Bong wél slaagt in datgene wat zijn landgenoot Lee Chang-dong vorig jaar met Burning net niet lukte: de Gouden Palm winnen.

5. Matthias & Maxime (Xavier Dolan, competitie)

Toen Xavier Dolan met J'ai tué ma mère en Les amours imaginaires naar Cannes kwam afgezakt op een leeftijd waarop anderen nog op de schoolbanken zitten, dachten velen dat de nieuwe Godard of Truffaut was opgestaan - inclusief hijzelf. Hoewel Dolan nog altijd maar dertig is, is het Canadese wonderkind inmiddels aan zijn achtste film toe, en ook daarin neemt hij, naast scenario, regie en productie, zelf de hoofdrol voor zijn rekening. 'Een verhaal over vriendschap', luidt de nietszeggende tagline, al we weten we intussen dat de film gaat over twee late twintigers uit Québec die al jaren beste vrienden zijn maar plots voor elkaar vallen. Naast Dolan doen ook Anne Dorval en Antoine-Olivier Pilon mee. Die speelden de hoofdrollen in Mommy, Dolans beste en meest bejubelde film waarvoor hij in 2014 in Cannes werd bekroond met de juryprijs. Nu maar hopen dat het bezige baasje eindelijk een baas geworden is, en minder op zichzelf verliefd dan vroeger.

6. Zombi Child (Bertrand Bonello, Quinzaine des réalisateurs)

Net als Jim Jarmusch komt New French Extremist met enkele zombies in zijn zog naar Cannes, maar dan échte. Bonello volgt zijn controversiële terreurtrip Nocturama (die door het festival pardoes werd geweigerd) op met een film die zich in de schemerzone tussen antropologie en fantasy, tussen Haïti en Parijs en tussen de sixties en nu waagt. Zombi Child verhaalt namelijk over ene Clairvius Narcisse, een Haïtiaan die het slachtoffer werd van een voodoovloek die hem in een zombie veranderde. Verwacht van de maker van Le pornographe, L'Apollonide en Saint Laurent vooral geen The Walking Dead met een arthousestrikje rond, maar een film die emotionele, fysieke en bovennatuurlijke extremiteiten opzoekt. Quelle horreur!

7. Sorry We Missed You (Ken Loach, competitie)

Toen Ken Loach in 2016 zijn tweede Gouden Palm won met I, Daniel Blake zag het ernaar uit dat de Britse kitchen sink-veteraan zijn sociaal geëngageerde camera voorgoed vaarwel zou zeggen. Dat was buiten kameraad Ken zelf gerekend. Op zijn 82e werpt de maker van linkse uppercuts als Kes, Raining Stones en Sweet Sixteen nog maar eens de barricades op, dit keer met een verhaal over een arbeidersgezin dat zich uit de schulden hoopt te hijsen wanneer de man een bestelwagen koopt en aan de slag gaat als koerier. Tenminste: tot hij en zijn vrouw door het kapitalistische lot richting een financieel en emotioneel breekpunt gedreven worden. Verwacht een molotov richting flexijobs en andere vormen van moderne slavernij, die Loach opnieuw ineenknutselde met zijn vaste kliek: scenarist Paul Laverty, cameraman Robbie Ryan en componist George Fenton. Omhoog met die linkervuist!

8. Portrait de la jeune fille en feu (Céline Sciamma, competitie)

Naar jaarlijkse, slechte gewoonte vallen er ook nu weinig vrouwelijke regisseurs aan de Croisette te spotten. Slechts vier maken er kans op een Gouden Palm: de Oostenrijkse Jessica Hausner (Little Joe), de Frans-Senegalese Mati Diop (Atlantiques) en de Française Justine Triet (Sibyl) en haar landgenote Céline Sciamma. Wie haar prachtprenten Tomboy en Bande de filles heeft gezien, weet dat die laatste al een poos tot de fine fleur van de Franse film behoort. Met Portrait de la jeune fille en feu gaat Sciamma voor het eerst de historische toer op, met een liefdesballade over een schilderes die anno 1760 de opdracht krijgt om het huwelijksportret van de pas uit het klooster getreden Héloise te schilderen en zich steeds meer tot haar argeloze model aangetrokken voelt. Sciamma filmde haar sensuele damesdrama in Bretagne, met als weigerachtige bruid met dienst Adèle Haenel, die ze in 2007 haar doorbraak bezorgde met haar debuutfilm Naissance des pieuvres. Volgt Sciamma straks Jane Campion (The Piano) op, de enige vrouw die tot nu toe de Gouden Palm kon winnen? Zou zomaar kunnen.

9. The Dead Don't Die (Jim Jarmusch, competitie)

Een zombiefilm waarin de levenden al even sloom door het beeld strompelen als de ondoden? Laat die klus gerust over aan de indie king of cool Jim Jarmusch, die van onthaasting én van klooien met genreconventies zowat zijn levensmissie heeft gemaakt. Voor zijn deadpan-zombiefestijn trommelde de maker van Stranger Than Paradise, Dead Man, Paterson en andere Cannes-favorieten zowat zijn integrale vriendenclubje op - Bill Murray, Adam Driver, Tilda Swinton, Steve Buscemi, RZA en zowaar ook Selena Gomez. Zij moeten in een slaapstadje afrekenen met hardleerse lijken. Jarmusch en zijn hippe bende mogen op 14 mei de rode loper opwaggelen om het festival op gang te schieten, allicht met uitgestreken gezicht en retrozonnebril, én hopelijk ook met scherp.

10. The Whistlers (Corneliu Poromboiu, competitie)

Geen idee wat ze de afgelopen jaren in Roemenië door het kraanwater mengen, maar het levert verdomd goede filmmakers op. Denk maar aan Cristi Puiu, Cristian Mungiu en deze Corneliu Poromboiu. De meest absurdistische van de zogeheten Roemeense New Wavers - herinner u zijn geweldige Police, Adjective- komt dit keer aanzetten met een misdaadkomedie over een niet zo koosjere flik die naar La Gomera afzakt om er El Siblo te leren, een fluittaal die ze alleen op dat Canarische eiland spreken. Het taaltje zou van pas kunnen komen bij het snode plan dat hij in gedachten heeft, en waar ook de mooie Gilda een hoofdrol in speelt. Handen omhoog voor een film noir over een gewiekste heist, corruptie en verraad, maar dan geheel volgens het evangelie van Poromboiu. Lees: inclusief gortdroge sitcom, sociale satire en naturalistische shots die desnoods minutenlang duren.