'Help me. I have a condition. I can't be left alone', kreunt Michael Fassbender in Song to Song, de achtste langspeler van Terrence Malick. In de rol van een gehaaide muziekproducent hoopt hij daarmee rockchick Rooney Mara binnen te doen, maar zijn ontboezeming had evengoed van de regisseur van de film zelf kunnen komen. Na een hiaat van maar liefst twintig jaar maakte Terrence Malick in 1998 totaal onverwacht een comeback met het poëtische oorlogsepos The Thin Red Line, losjes gebaseerd op de roman van James Jones. Nog miraculeuzer: het was een verrijzenis die bijna evenveel monden deed openvallen als toen zijn eerste twee prachtfilms op het witte doek werden geopenbaard: Badlands (1973) en Days of Heaven (1978).
...

'Help me. I have a condition. I can't be left alone', kreunt Michael Fassbender in Song to Song, de achtste langspeler van Terrence Malick. In de rol van een gehaaide muziekproducent hoopt hij daarmee rockchick Rooney Mara binnen te doen, maar zijn ontboezeming had evengoed van de regisseur van de film zelf kunnen komen. Na een hiaat van maar liefst twintig jaar maakte Terrence Malick in 1998 totaal onverwacht een comeback met het poëtische oorlogsepos The Thin Red Line, losjes gebaseerd op de roman van James Jones. Nog miraculeuzer: het was een verrijzenis die bijna evenveel monden deed openvallen als toen zijn eerste twee prachtfilms op het witte doek werden geopenbaard: Badlands (1973) en Days of Heaven (1978). Was Malick uit het verborgene van New Hollywood teruggekeerd om op zijn vrijwel meteen herkenbare manier - een meditatieve voice-over op fluistertoon, symfonische montage en veel beelden van wolken, water en beestjes - opnieuw diepere waarheden over liefde en begeerte toe te vertrouwen aan de pellicule? Hoopte hij de Amerikaanse cinema te redden van superhelden, franchises en andere aardse vulgariteiten die in zijn afwezigheid waren ontkiemd? Of leed hij, net als Fassbender in Song to Song, aan een aandoening die impliceert dat hij niet alleen gelaten kan worden? Het zijn vragen die cinefielen al bijna twee decennia bezighouden, en waarop ze de antwoorden zelf zullen moeten verzinnen: interviews geeft de inmiddels 73-jarige Malick (bijna) nooit, en naar premières of awardshows stuurt hij steevast zijn kat. Geen wonder dat de zuiderse filmdichter - geboren in Illinois maar opgegroeid in Oklahoma en Texas - met de jaren uitgroeide tot een haast mythisch figuur, de Thomas Pynchon van de cinema: een unieke artiest die geen fans heeft maar discipelen, en van wie zelfs in deze internettijden hooguit een handvol foto's de ronde doet. Malicks karige maar smetteloze palmares en zijn mysterieuze aura zorgden er in elk geval voor dat woorden van kritiek lange tijd haast even zeldzaam waren als dialogen in zijn meanderende films. Maar nu hij de jongste jaren zijn productie gevoelig heeft opgedreven, lijkt het tij alsnog te keren. Zeven jaar deed de notoire traagfilmer erover om The Thin Red Line op te volgen met The New World (2005), het positief onthaalde liefdesverhaal van indianenprinses Pocahontas en ontdekkingsreiziger John Smith. Zes jaar gingen daarop voorbij vooraleer hij op de proppen kwam met The Tree of Life (2011), een melange van sensuele herinneringen aan zijn kindertijd en kosmische grandeur waarvoor hij met de Gouden Palm werd bekroond. Maar hoewel het eerste, schuchtere gemor toen al de kop opstak, begon Malicks val van genade pas echt toen hij - al een jaar later - To the Wonder (2012) uitbracht: een dromerige, zeg maar ijle romance met een expressieloze Ben Affleck als weifelende echtgenoot en minnaar. Anderhalf jaar geleden volgde het al even pompeuze Knight of Cups (2015), waarin Christian Bale als zelfingenomen Hollywoodscenarist zijn daddy issues verwerkt terwijl een harem knappe vrouwen naar zijn pijpen danst. Was de filmende filosoof - Malick studeerde aan Harvard en Oxford, gaf filosofie aan het MIT en vertaalde Martin Heideggers Vom Wesen des Grundes vooraleer hij in de filmbiz stapte - dan toch zijn mojo kwijt? Hadden al die jaren van beate bewondering ervoor gezorgd dat hij zichzelf in zijn ivoren toren opgesloten had? En had hij het bij die ene, spectaculaire comeback moeten laten? Feit is dat de mijmerende voice-over, lyrische natuurbeelden en verheven klassieke muziek geen stijlmiddelen meer leken om zijn poëtische ambities te realiseren, maar een krampachtige formule die flirtte met de zelfparodie. 'Malick maakt niet langer films, maar uitgesponnen parfumreclames', klinkt het almaar vaker. En dat verwijt zal er niet minder op worden nu hij dit jaar, in opdracht van Guerlain, met Angelina Jolie ook effectief een parfumspot heeft gedraaid die - o wrede ironie - sprekend op een recente Malick-film lijkt. Ook Song to Song, zijn achtste fictiefilm (vorig jaar bracht hij ook nog de natuurdocumentaire Voyage of Time uit), is volledig geconcipieerd volgens de methode-Malick. Verwacht dus andermaal geen plotgedreven film met welomlijnde personages en uitgebreide dialogen, maar een impressionistische romance, dit keer tegen de achtergrond van de hedendaagse muziekscene van Austin, Texas. En dat met Rooney Mara die zowel door Ryan Gosling als Michael Fassbender het hof wordt gemaakt, terwijl hip rockvolk als Patti Smith, Iggy Pop, Red Hot Chili Peppers en Lykke Li, plus uiteraard de nodige wolken en beestjes voortdurend in en uit het beeld glijden. Eén ding kun je Malick dan ook niet verwijten: dat hij zijn vaak gekopieerde en gepersifleerde stijl snel-snel verraadt wanneer hij kritische tegenwind krijgt. Maar de opnames van Song to Song dateren al van vijf jaar geleden, toen hij ook To the Wonder en Knight of Cups kort na elkaar draaide. Samen vormen die drie titels een soort fictief, in het hier en nu geplant drieluik waarin Malick op zijn poëtische - of is het pathetische? - manier afrekent met zijn innerlijke demonen. Zo alludeert de eerste film op zijn huwelijksperikelen en buitenlandse ballingschap - Malick is twee keer gescheiden en woonde tijdens zijn cinemaretraitre een poos in Parijs, waar hij schreef en schilderde. De tweede gaat over zijn dooltocht door de mondaine filmindustrie en de depressie die daaruit voortvloeide. Song to Song verbeeldt de strijd tussen liefde en lust, rede en instinct die hem al zijn leven lang obsedeert. Of zou hij gewoon een fan zijn van fraai vrouwvolk (ook Natalie Portman en Cate Blanchett doen min of meer en al dan niet blootsvoets mee) en de Peppers? In het particuliere geval van Malick, een van de laatste mainstreamfilmmakers die final cut heeft, is de vraag stellen ze nog niet noodzakelijk beantwoorden. Maar het is duidelijk dat zijn films, sinds ze niet langer door boeken of feiten zijn geïnspireerd en almaar meer de allures van audiovisuele collages krijgen, er niet diepzinniger, laat staan beter op geworden zijn. 'Love that loves us... thank you', hoor je Olga Kurylenko zwijmelen op de voice-over van To the Wonder. En op die van Knight of Cups verzucht Christian Bale in alle ernst: 'Mist. Be with Me. Always.' Het zijn karamellenverzen die zelfs hormonaal geplaagde pubers niet zonder schroom aan hun dagboek zouden toevertrouwen. Het probleem is dus niet, zoals veel kortzichtige critici klagen, dat Malick lak heeft aan narratieve conventies, zijn film doorgaans pas na (jaren)lang wikken en wegen in de montagekamer 'vindt' of naar puur visuele cinema streeft, als een regisseur die stille films maakt met geluid. Integendeel, het probleem is dat zijn jongste werk bulkt van de sentimentele clichés en de afgewassen symboliek, en dat er aan de zoon van een Texaanse olieboer duidelijk geen Walt Whitman of T.S. Eliot verloren is gegaan. Op geen enkel moment slagen die recentere films erin om onder hun oppervlak te prikken, zelfs al ziet dat oppervlak er nog zo mooi uit - met dank aan de Mexicaanse cameratovenaar Emmanuel Lubezki, die sinds The New World alle films van Malick schoot. Wat Malicks recente films evenmin vooruithelpt, is hun hippe, hedendaagse jasje. Speelden Badlands, Days of Heaven, The Thin Red Line en The New World zich telkens af in een geromantiseerd verleden (respectievelijk de fifties, de jaren 1910, WO II en de vroege 17e eeuw) dat Malick op picturale wijze op pellicule borstelde, dan zijn zijn laatste drie films volledig ingebed in de wereld van vandaag, inclusief designmeubelen, jacuzzi's, smartphones en digitale camera's. De directheid die daaruit voortvloeit, botst niet alleen met Malicks melancholische, naar onschuld hunkerende wereldbeeld dat gebaat blijkt bij een historisch patina. De beelden, die nog haast uitsluitend geschoten worden vanuit de losse pols en overvloedig vastgelegd op high definition, ogen stukken harden, scherper en beweeglijker dan voordien. De fraai gecomponeerde, classicistische tableaus uit Badlands, Days of Heaven en The Thin Red Line zijn vervangen door vluchtig aangebrachte, met muziek aaneengekleefde toetsen. De observerende shots hebben plaats geruimd voor close-ups en opnames vanaf schouder en rug. En zelfs al heeft Malick, als nostalgieziek kind van de jaren 50 en relict van het New Hollywood-tijdperk, daarmee de bedoeling te demonstreren dat de wereld er meer in your face op geworden is, demonstreren doe je nog altijd het best met een pamflet in plaats van een camera in de hand. Door de nieuwe tijden en technologieën te omarmen, zowel stilistisch als inhoudelijk, lijkt het alsof Malick zichzelf uit de tijd heeft geduwd, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het daarom nog niet allemaal de schuld van de digitale revolutie is. The times they are a-changin' wist Bob Dylan al, maar dat wil nog niet zeggen dat het ook geldt voor wie die tijden in beeld brengt. Bovendien droeg Malick altijd al een zekere vaagheid en stuurloosheid in zich, met zijn neiging om zelfs het meest concrete abstract te maken. Tegen Martin Sheen, die in Badlands een moordende James Dean-lookalike speelt, zei hij: 'Stel je voor dat je wapen een toverstok is.' Aan de monteurs van The Thin Red Line gaf hij het advies: 'De film is als een rivier en moet dezelfde flow hebben.' En tegen de steadicam-operator van The New World orakelde hij: 'Je houdt de kwartel bij de vleugel op het moment dat ze op wil stijgen.' Ook toen hij nog de bigfoot van de cinema was, en als een genie werd aanbeden, was het Malick dus al meer te doen om indrukken en gevoelens, om zaken die de fysieke werkelijkheid ontstijgen en transformeren, dan om concrete besognes als plot, psychologische motivaties of beeldsequensen. Op welk moment begint de naïeve tiener Holly (Sissy Spacek) zich in Badlands te realiseren dat haar lief een geschifte sociopaat is? Op welk moment komt er precies een breuk in de relatie tussen seizoenarbeiders Bill (Richard Gere) en Abby (Brooke Adams) in Days of Heaven? En wat doet het cynische harnas van sergeant Welsh (Sean Penn) barsten in The Thin Red Line? Malick heeft er altijd van gehouden om de verklaring te skippen en het enigma intact te houden. Alleen deed hij dat vroeger gedoseerder en vanaf een reflexieve afstand, omdat hij er door de omstandigheden - een rechtlijniger script, minder beweeglijke camera's, een beperkter aantal takes - toe gedwongen werd. Wie heel goed keek en luisterde naar de ruisende graanvelden en kwetterende vogels kon ook toen al dissonante stemmen horen. Zo bleek Richard Gere allerminst opgezet met Malicks instinctieve werkmethode ('ik had op meer verhaal en een betere film gehoopt'). Verschillende crewleden trapten het zelfs af. Christopher Plummer schreef Malick een furieuze brief toen bleek dat die zijn rol in The New World had gereduceerd tot hooguit enkele scènes en flarden tekst. 'Terry likes to cut to birds', luidde Plummers wrange commentaar. Maar wat toen nog een eenzame schreeuw in de woestijn leek, is inmiddels aangezweld tot een heus koor. In die zin kan men alleen maar hopen dat Malick de klaagzangen tot in zijn ivoren toren, of tenminste toch tot in zijn montagekamer heeft gehoord. En dat hij zijn camera voortaan niet langer uitsluitend op zijn navel, vlinders, vogels of hippe deernes richt. Wat alvast het beste doet verhopen, is dat zijn volgende project, Radegund (een Duitstalige film die normaal eind dit jaar nog in première gaat), opnieuw in de realiteit en het verleden geworteld blijkt, want een biopic van een Oostenrijkse boer die tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde om mee te vechten met de nazi's, met overigens een rol voor Matthias Schoenaerts. Tenminste, als die de eindmontage haalt. Wordt Radegund de film waarmee Malick zijn geblutste reputatie alsnog weet te redden? En kan hij nog één keer uithalen zoals ten tijde van Badlands, zijn nog altijd weergaloze debuut over jonge minnaars die in de fities een spoor van bloed door de VS trekken? Elke rechtgeaarde cinefiel hoopt het tot in het diepste van zijn gekwelde, naar verlossing zoekende ziel, terwijl hij de wind hoort ruisen en de krekels tsjirpen, de zon tijdens magic hour ziet wegzinken onder de cinemascoopbrede horizon en hij op de voice-over zachtjes fluistert: 'Terry. Be with me. Always.' Of zoiets.