Nog een biopic over Vincent van Gogh? Niemand die daar, na films van onder meer Vincente Minnelli ( Lust for Life, 1956), Robert Altman ( Vincent & Theo, 1990) en Maurice Pialat ( Van Gogh, 1991), écht op zat te wachten, zelfs Julian Schnabel niet. 'Dan liever een film over Caravaggio', klonk het aanvankelijk ook bij de filmende bad boy van de Amerikaanse schilderkunst, maar uiteindelijk waagde hij er zich toch aan. En gelukkig maar.
...

Nog een biopic over Vincent van Gogh? Niemand die daar, na films van onder meer Vincente Minnelli ( Lust for Life, 1956), Robert Altman ( Vincent & Theo, 1990) en Maurice Pialat ( Van Gogh, 1991), écht op zat te wachten, zelfs Julian Schnabel niet. 'Dan liever een film over Caravaggio', klonk het aanvankelijk ook bij de filmende bad boy van de Amerikaanse schilderkunst, maar uiteindelijk waagde hij er zich toch aan. En gelukkig maar. Verwacht van At Eternity's Gate - de titel verwijst naar Op de drempel van de eeuwigheid, een doek dat Van Gogh maakte in zijn sterfjaar 1890 - geen geïllustreerde Wikipediapagina. Of nog erger: de zoveelste film over het getormenteerde genie dat zijn oor afsneed. Hoewel Schnabel de clichés niet uit de weg gaat, focust hij op Van Goghs laatste levensjaren in Zuid-Frankrijk en vooral op het schilderen zelf. Centraal staan immers de creatieve werkwijze, de twijfels en de levenslust van de Nederlandse kunstenaar die tijdens zijn korte, sjofele leven - Van Gogh bezweek op zijn 37e aan een schotwonde - amper een doek verkocht, maar wiens vlammende, postimpressionistische werk ondertussen werelderfgoed is geworden. Voor de rol van de eeuwige outsider met ezel, penselen en nog meer persoonlijke issues deed Schnabel een beroep op Willem Dafoe - mét rosse baard - die voor zijn intense incarnatie met een Oscarnominatie werd beloond. Hij schetst hoe Van Gogh door de zongebleekte velden van de Provence doolt als in een zelf opgelegde calvarietocht. Hoe hij al pissend de essentie van de schilderkunst bespreekt met Paul Gauguin, zijn extraverte vriend en collega. Hoe hij bespot wordt door schoolkinderen die hem maar een zonderling vinden. Hoe hij in extase raakt van zonlicht, zonnebloemen, landschappen en kleuren. Het is een sensuele maar tegelijk behoorlijk duistere film die plastisch poogt uit te beelden wat er in Van Goghs malende geest omging vlak voor zijn vroegtijdige, nog altijd wazige dood, en waarvoor Schnabel zijn kenmerkende filmstijl - los camerawerk, close-ups en flou artistique - tot in het extreme doortrekt. 'Iedereen weet reeds alles over Vincent', beseft Schnabel, die eerder bewees even bedreven te zijn met een camera als met een verfkwast. Denk maar aan Basquiat (1996) - zijn debuutfilm over het nog jonger gestorven, Afro-Amerikaanse wonderkind van de New Yorkse kunstscene van de jaren tachtig. Of aan Le scaphandre et le papillon (2007), zijn biopic over Jean-Dominique Bauby, die na een beroerte aan het locked-insyndroom leed. 'Het maakt mij niet uit of Van Gogh zichzelf doodschoot, net zoals ik het niet belangrijk vond of bepaalde tekeningen terecht of onterecht aan hem worden toegeschreven. Hij is een van mijn idolen, en ik vond dat hij nog nooit een waardige biopic had gekregen. In tegenstelling tot de regisseurs die eerder een film over hem maakten, ben ik zelf schilder. Ik had het gevoel dat ik iets fris kon brengen.' Onder meer Vincente Minnelli, Robert Altman en Maurice Pialat gingen je voor. Dat waren niet van de minsten. Julian Schnabel: De biopic van Minnelli vond ik als kind heel leuk, maar toen ik die film een tweede keer zag, besefte ik hoe ridicuul hij wel is. Kirk Douglas die voortdurend loopt te zeuren? En Martin Scorsese die hem speelde in Dreams van Akira Kurosawa? Geestig, maar dat is een cartoon. De film van Altman begint dan weer met beelden van een moderne veiling, alsof je het onderwerp moet legitimeren aan de hand van zijn marktwaarde. Ik begrijp waarom mensen de film van Pialat wél goed vonden. Dat was de ultieme antibiopic. Vincent werd erin geportretteerd als een gewone kerel, maar Pialat deed dat zo bedreven dat het even boeiend was als kijken naar drogende verf. Ik vind Pialat een groot regisseur, maar van Vincent had hij niets begrepen. Hij was namelijk geen gewone kerel. Vorig jaar was er ook die animatiefilm (Loving Vincent , nvdr.) waarin Vincents leven wordt verteld aan de hand van nageschilderde schilderijen, maar ook die was futloos. Als de vorige biopics je tegenvielen, wat waren - naast Van Goghs schilderijen - dan jouw inspiratiebronnen? Schnabel:In elk geval niet Lust for Life, de bestseller van Irving Stone. Die is verantwoordelijk voor al die romantische clichés die tot in den treure worden herkauwd. Vergeet nu eens dat gekke genie dat zijn oor afsnijdt. Zijn kunst is wat telt, wat uniek is en wat voor de eeuwigheid is bestemd. Ik heb veel gehaald uit Vincents brieven aan zijn broer Theo. Daarin is hij ongelofelijk open en eerlijk. Je kijkt zo zijn ziel in. Maar die brieven kan iedereen lezen, en ik wilde geen film maken over wat mensen al weten over Vincent. Ik wilde het hebben over zaken waarover weinigen iets weten en ook niet kúnnen weten, omdat ik ze uit mijn duim gezogen heb. (lacht) Ik heb me nogal wat dichterlijke vrijheden veroorloofd. Zoals de claim op de slotcredits dat het in 2016 opgedoken schetsboek echte tekeningen van Van Gogh bevat, hoewel dat door experts wordt betwist? Schnabel: Sommigen, onder wie ikzelf, zijn ervan overtuigd dat die tekeningen echt zijn, het Van Gogh-museum noemt ze fake. Uiteindelijk is die discussie irrelevant, maar ze brak los toen ik de film aan het draaien was, en daarom heb ik dat schetsboek een rolletje gegeven. Daarnaast inspireerde ik me op dingen die ik toevallig aan de weet ben gekomen. Ik ben voor de opnames naar de Provence geweest, en daar sprak ik de huidige eigenaar van Auberge Ravoux in Auvers-sur-Oise, Vincents laatste stopplaats. Hij vertelde me dat ze zijn lijk in 1890 midden in het restaurant hadden opgebaard, met zijn schilderijen om hem heen. Of dat klopt? Geen idee, maar ik vond het een prachtig beeld en dus heb ik die scène in de film gestopt. Alleen jammer dat we niet in het echte restaurant konden filmen. Hoezo? Schnabel: Aanvankelijk wilde de eigenaar graag meewerken, maar toen hij hoorde dat Vincent in mijn film geen zelfmoord pleegt maar wordt neergeschoten door twee jongens, wilde hij er plots niets meer van weten. Uiteindelijk hebben we het restaurant moeten nabouwen. Die dingen geven aan hoezeer mensen in bepaalde zaken willen geloven, ook al zijn er geen bewijzen van. Ik geloof niet dat Vincent zelfmoord heeft gepleegd. Iemand die elke dag een schilderij maakt, barst van de levenslust. Je grootste dichterlijke vrijheid is misschien wel het leeftijdsverschil tussen Van Gogh en je hoofdrolspeler. Van Gogh was 37 toen hij stierf, Willem Dafoe is er inmiddels 63. Schnabel: Willem had al rolletjes in mijn vorige films en ik heb ook al schilderijen van hem gemaakt. Ik wist dat hij de geknipte kerel was. Het is geen vertolking maar een incarnatie, een spirituele performance. Ik had het mezelf makkelijk kunnen maken en Michael Fassbender bellen. Die is eind de dertig en van nature ros. De producenten hadden dat vast geweldig gevonden, en veel vrouwen ook. (lacht) Nu waren de geldschieters minder happig, maar als je Willem bezig ziet, besef je dat het plaatje klopt. Acteren is transformeren, en dat doet Willem. Volledig. Zoals hij dat ook deed toen hij Jezus of Pier Paolo Pasolini speelde (in respectievelijk The Last Temptation of Christ en Pasolini , nvdr.). Hij heeft zelfs speciaal voor de rol leren schilderen, al is het niet Willems arm die je ziet wanneer Vincent in de weer is met een borstel, maar de mijne. Ik wilde op die manier een persoonlijke toets toevoegen. Vergeet ook niet dat Vincent moe en afgeleefd was op het einde van zijn leven. Kijk naar zijn laatste zelfportret. Hij zag er geen 37 maar 57 uit. Met je film over Jean-Michel Basquiat schreef je destijds zelf mee de geschiedenis van de kunstenaar. Met een icoon als Van Gogh is dat onmogelijk. Schnabel: Alles in Basquiat heb ik meegemaakt vanaf de eerste rij, al was ik diegene die Jean-Michel geld gaf om kaviaar te kopen, en niet Andy Warhol. Dat wil ik even on the record hebben. (lacht) Ik hoefde in elk geval niks te verzinnen. Maar zelfs toen al dacht ik aan Vincent. Basquiat vertelt eenzelfde verhaal van een jong, miskend genie dat pas na zijn dood beroemd werd. Uiteindelijk is het uit die analogie, uit datzelfde schisma tussen de kunstenaar en het publiek dat deze film is voortgevloeid. Het is een thema dat me enorm bezighoudt. Je kunt wel schilderijen googelen, maar uiteindelijk moet je er zelf voor staan om te weten hoe ze er echt uitzien, om ze te beleven. Ik vond Monet ooit maar niets, tot ik voor zijn doeken stond en de sensualiteit ervan me volledig opzoog. Wil je dat mensen ook zo naar je films kijken? Schnabel: Ik wil dat de kijker zich voelt alsof hij door een tentoonstelling loopt, niet door geanimeerde versies van Vincents doeken. Dat is saai en lui. De toeschouwer moet het gevoel krijgen dat zijn ogen geopend worden, dat zijn zintuigen en hersenen geprikkeld worden, dat hij in de realiteit van de schilderkunst terechtkomt. Toen critici Josef von Sternberg verweten dat zijn films niet realistisch oogden, zei hij: 'Natuurlijk zijn ze niet realistisch. Ze zijn beter dan de realiteit.' Dat is ook mijn visie. Is er een verschil tussen kunst en het leven? Nee. Kan kunst de dood ontstijgen? Ja. Zit de dood in de kunst? Nee, want het zijn representaties van het leven. Als je als kunstenaar iets maakt en nalaat, dan word je je kunst. Onvermijdelijk. Ik bén mijn schilderijen, ik bén mijn films. Wat ik nu vertel, komt gewoon van een kerel die in pyjama rondloopt op een filmfestival (Schnabel heeft tijdens het interview een gestreepte pyjama aan, nvdr.) en die mensen zijn film tracht in te lullen. Of ze komen kijken, maakt me evenwel niets uit. Mijn plezier is dat ik de film heb kunnen maken. Als ik zou geven om wat de film opbrengt, had ik Michael Fassbender wel gebeld. (grijnst)De box-office bepaalt helaas wel of een film gemaakt wordt of niet. Schnabel: De wereld is maakbaar, dus de kunst- en de filmwereld ook. Stel je voor dat je evenveel geld stopt in de promocampagne van At Eternity's Gate als in die van de nieuwe Marvelfilm, dan verzeker ik je dat er veel meer mensen zouden komen kijken. Misschien geen miljoenen, maar toch. Op een gegeven moment moet je kiezen in het leven. Ga je voor succes of voor vrijheid? Ik ben voor beide gegaan. (grijnst)Je bent succesvol als filmmaker en als schilder. Ben je nooit in de verleiding gekomen om voor het makkelijke geld te kiezen, zoals kunstcritici je weleens verwijten? Schnabel: Hollywood heeft me al voor van alles aan de mouw getrokken, maar ik werk niet voor het geld. Ik heb nog nooit een film of een schilderij gemaakt om poen te verdienen. Ik werk voor mijn vrijheid, en ik verdien gelukkig genoeg om mijn vrijheid te kunnen kopen. Mocht dat niet meer het geval zijn, dan verkoop ik mijn huis en ga ik schilderen in de jungle. In pyjama.