Het was schrikken, enkele maanden geleden in Cannes, toen Michael Haneke er zijn nieuwe film Happy End kwam voorstellen. Ten eerste bleek dat zowaar een komedie - weliswaar een heel wrange komedie. Ten tweede moest de Oostenrijker, die zijn twee vorige langspelers Das weisse Band (2009) en Amour (2011) nog met de Gouden Palm bekroond zag worden, voor het eerst sinds lang met lege handen naar huis. Zo mogelijk nog choquanter: de man wiens garderode al die jaren zo zwart was als de wereldvisie die hij in zijn klinisch koele, mediakritische films etaleerde, werd plots op de Croisette gespot in een geel jasje, jeansbroek en mocassins. Zonder kousen!
...

Het was schrikken, enkele maanden geleden in Cannes, toen Michael Haneke er zijn nieuwe film Happy End kwam voorstellen. Ten eerste bleek dat zowaar een komedie - weliswaar een heel wrange komedie. Ten tweede moest de Oostenrijker, die zijn twee vorige langspelers Das weisse Band (2009) en Amour (2011) nog met de Gouden Palm bekroond zag worden, voor het eerst sinds lang met lege handen naar huis. Zo mogelijk nog choquanter: de man wiens garderode al die jaren zo zwart was als de wereldvisie die hij in zijn klinisch koele, mediakritische films etaleerde, werd plots op de Croisette gespot in een geel jasje, jeansbroek en mocassins. Zonder kousen! Geen wonder dat veel critici de wenkbrauwen fronsten. Had Haneke op zijn 75e een latelifecrisis te pakken? Achtte hij de tijd rijp om, nadat hij de westerse burgermaatschappij genadeloos had gefileerd in uppercuts als Funny Games, La pianiste en Caché, ook eens andere registers te bespelen? Of was de inspiratie even op? Feit is dat Haneke nooit eerder zo lang deed over een nieuwe film - zijn pakkende euthanasiedrama Amour dateert al van zes jaar geleden. Een vorig project, Flash Mob, heeft hij zelfs halsoverkop geaborteerd. Bovendien laat Happy End zich bekijken als een soort persoonlijke best-of, met knipogen en zelfs rechtstreekse referenties aan zijn vorige films. Zo zijn in zijn gitzwarte 'zedenkomedie' niet alleen habitués als Isabelle Huppert en Jean-Louis Trintignant te zien, maar behandelt de arthousepaus, ondanks de cynische ondertoon, loodzware thema's als existentiële leegte, morele corruptie en de verstikkende futiliteit van de nieuwe media. Dat alles drapeert hij over de lotgevallen van een welgestelde Noord-Franse ondernemersfamilie. U herkent Trintignant als de levensmoede, aan een rolstoel gekluisterde patriarch, Huppert als zijn hardvochtige dochter die het bedrijf met harde hand runt en Mathieu Kassovitz als overspelige zoon. Daarnaast passeren ook enkele vluchtelingen, die in de buurt van Calais zijn aangespoeld, de revue, al hebben Hanekes weinig warmhartige personages het te druk met hun first world problems om zich echt wat van hen aan te trekken. 'Ik wilde geen film over vluchtelingen maken omdat ik hen niet ken', motiveert Haneke zijn keuze om de vluchtelingencrisis op de achtergrond te houden. 'Ik ben even onwetend als mijn personages. Mijn films gaan over blanke, westerse burgermensen, over hun angsten, hun dilemma's. Dat zijn mensen die ik wél ken en voor wie mijn films ook bedoeld zijn. Ik wil hun een spiegel voorhouden en doen nadenken over de wereld waarin ze leven en waartegenover ze zich onverschillig, haast autistisch, opstellen. Dat geldt ook voor mezelf. We negeren sociale en politieke problemen, ook al komen die tot in onze achtertuin. Dat is wat ik toon. Niets meer, niets minder.' Dat Haneke de vluchtelingenthematiek aankaart zonder die verder uit te diepen, is dus geen frivole of exotische keuze. Toch beseft hij dat hij op de slappe koord danst. 'Sommige thema's zijn te groot of te zwaar om op film te worden gevat. Dan neigt het al snel naar exploitatie. De Holocaust bijvoorbeeld. La vita è bella vond ik vreselijk. En ik heb me indertijd in Amerika heel onpopulair gemaakt toen ik Schindler's List bekritiseerde, maar ik blijf bij mijn standpunt. Spielberg bedoelde het goed, maar het is een hollywoodiaanse kijk op een van de grootste tragedies uit de geschiedenis. Film heeft limieten. Die moet je opzoeken en aftasten, maar soms ook respecteren.' Blijft de vraag of film of, bij uitbreiding, kunst dan wel een geschikt middel is om de zelfvoldane, westerse burger uit zijn autistische toestand te wekken, een missie waar Haneke zich nochtans al een carrière lang devoot aan wijdt. 'Alleen liefde vermag iets tegen onverschilligheid. Niet film. De vraag is alleen of de mens wel tot liefde in staat is. Dat was het belangrijkste van Amour en is het hoofdthema van Happy End. Liefde maakt niet blind. Het opent de ogen. Dat tonen de personages van Trintignant in beide films aan. Maar het is niet de taak van drama om liefde aan te reiken. Drama is conflict. Zolang het einde maar happy is.' In die zin bevat de titel een vrachtlading ironie. 'Ik vond het gewoon goed klinken', grijnst Haneke. 'Ik hou van ironie. Funny Games was ook niet erg funny, en Happy End is niet erg happy. Ik heb altijd een komische kant gehad. Er zaten altijd humoristische dingen in mijn films, ook al gingen die vaak onopgemerkt voorbij en zijn de situaties die ik schets vaak pijnlijk. Ik kan daaruit enkel concluderen dat ik een apart gevoel voor humor heb, want een van de dingen die me het meest verbazen wanneer ik kritieken lees, is dat mensen mijn films zwartgallig of misantropisch vinden. Alsof ik kick op pijn en ellende. Ik ben geen sadist of masochist. Ik heb altijd van humor gehouden. Privé ben ik een heel geestige, opgewekte vent. Altijd geweest.' Zou het kunnen dat zelfs Haneke - nu hij zijn komische kant toont, de liefde predikt en zowaar gele colberts draagt - toleranter is geworden? 'Nee. Intoleranter', countert hij meteen. 'En ongeduldiger. Want op mijn leeftijd heb ik geen tijd meer te verliezen.'