Kameraad Ken Loach mag dan bijna met pensioen zijn, met Stéphane Brizé heeft de Britse grootvader van de geëngageerde, naturalistische cinema een militante en getalenteerde opvolger. Net als in zijn doorbraakfilm La loi du marché (2015) werpt de Franse regisseur ook nu fluks de barricades op voor de werkende klasse, en ook dit keer doet hij dat in een ongekunstelde, faux-realistische stijl die aan Loach ongetwijfeld de Internationale zal ontlokken.
...

Kameraad Ken Loach mag dan bijna met pensioen zijn, met Stéphane Brizé heeft de Britse grootvader van de geëngageerde, naturalistische cinema een militante en getalenteerde opvolger. Net als in zijn doorbraakfilm La loi du marché (2015) werpt de Franse regisseur ook nu fluks de barricades op voor de werkende klasse, en ook dit keer doet hij dat in een ongekunstelde, faux-realistische stijl die aan Loach ongetwijfeld de Internationale zal ontlokken. Brizés fetisjacteur Vincent Lindon vertolkte in La loi du marché een ontslagen vijftigplusser die de jungle van de arbeidsmarkt wordt ingejaagd, dit keer leent de Fransman zijn gegroefde karakterkop aan Laurent Amédéo, een vakbondsleider die ten oorlog trekt tegen de sluiting van de nochtans winstgevende auto-onderdelenfabriek waar hij werkt. De onvermoeibare working class hero en guerrillero in overall hoopt de 1100 getroffen werknemers alsnog aan de slag te houden, en om de directie te dwingen zich aan hun eerder gemaakte beloftes te houden. Brizé focust niet uitsluitend op Amédéo, maar vooral op het collectief. Dat resulteert in uitgesponnen, los uit de pols geschoten en ongekunstelde long focus-registraties van hoe de werknemers reageren en interageren. Hoe ze demonstreren op straat, hoe ze onderling kibbelen over welke strategie ze het best volgen, hoe ze proberen om de buitenlandse directie aan de onderhandelingstafel te krijgen, en hoe hun frustratie omslaat in moedeloosheid, razernij en wanhoop. Brizé schiet, knipt en plakt het alsof hij je tussen de smeulende stakersposten wil droppen en je het verzet en de wanhoop wil laten voelen, met ook wat nepjournaalflitsen om het documentaire gehalte van zijn proletarische cri du coeur op te vijzelen. Brizé steekt niet onder stoelen of banken dat zijn sympathie uitgaat naar de door amateurs vertolkte werknemers en vakbondsleden. En guerre, dat in de zalen komt precies vijftig jaar na het oproer van mei '68, pretendeert niet dat het alle partijen evenveel spreektijd gunt, maar toont de fabriekssluiting door de ogen en harten van diegenen die de hardste klappen moeten incasseren. Door die insteek, stijl en thematiek roept de film herinneringen op aan The Navigators van Ken Loach en vooral aan Ressources humaines van Laurent Cantet. Alleen was die eerste film warmer en bij momenten ook grappiger, en die laatste narratief gelaagder en emotioneler dan Brizés molotovcocktail richting het geglobaliseerde roofbouwkapitalisme. En guerre is ruwe, energieke agitprop over de hedendaagse verworpenen der aarde, die door zijn stuwende stijl en dissidente ondertoon net zo goed 'en colère' of 'rage against the machine' had kunnen heten.