Voor een beetje filmliefhebber is het vrijwel onmogelijk om in de loop van de afgelopen 27 jaar Jane Campions verwrongen liefdesballade The Piano te hebben gemist. Bij zijn release in 1993 groeide de film immers meteen uit tot een kritische én commerciële hit, en sindsdien passeerde het met de Gouden Palm bekroonde kostuumdrama al ontelbare keren op tv. Maar hoe vaak je Campions haast doodgeknuffelde kroonjuweel ook hebt gezien, telkens opnieuw ontdek je wel een nieuwe laag of insteek.
...

Voor een beetje filmliefhebber is het vrijwel onmogelijk om in de loop van de afgelopen 27 jaar Jane Campions verwrongen liefdesballade The Piano te hebben gemist. Bij zijn release in 1993 groeide de film immers meteen uit tot een kritische én commerciële hit, en sindsdien passeerde het met de Gouden Palm bekroonde kostuumdrama al ontelbare keren op tv. Maar hoe vaak je Campions haast doodgeknuffelde kroonjuweel ook hebt gezien, telkens opnieuw ontdek je wel een nieuwe laag of insteek. The Piano vertelt het broeierige, victoriaanse verhaal van de Schotse Ada McGrath (Holly Hunter) die anno 1850 aan een Nieuw-Zeelandse grootgrondbezitter (Sam Neill) wordt uitgehuwelijkt. Praten doet de jonge vrouw sinds haar zesde niet meer, waardoor haar piano haar enige middel is om haar emoties te ventileren, al wordt het ook een instrument van (seksuele) onderwerping en bevrijding. En dat door toedoen van een uitgeweken Brit (Harvey Keitel) die voor haar kersverse echtgenoot werkt en zich heeft ondergedompeld in de lokale Maori-cultuur. Wat volgt, is een sensueel spel van afstoten en aantrekken, van minnaars en hoorndragers, van rede en instinct in het midden van de brousse, alsof Campion de gesmoorde smart en de romantische female gaze van de zussen Brontë van de Engelse moors naar het ongerepte Nieuw-Zeeland van weleer heeft versleept. Geen wonder dus dat The Piano stante pede het etiket 'feministisch' kreeg opgekleefd, al heeft Campion - die met Sweetie (1989) en An Angel at My Table (1990) al haar feminiene stempel op de auteursfilm had gedrukt - zich altijd tegen die reductionistische lezing verzet. Alsof een film met een vrouwelijke heldin, regisseur, scenarist, producent en monteur per definitie onder die vage term moet worden geveegd. Het is een lezing die alvast schril afsteekt tegen de complexiteit van de man-vrouwverhoudingen die zonder seksuele schroom maar met psychologische finesse in de film worden verkend, met Ada als de woordeloze, frêle freule die weigert te verdwalen in de patriarchale jungle. Die complexiteit zorgt ervoor dat The Piano zelfs na de zoveelste visie iets ondoordringbaars en mysterieus blijft hebben. Wat minstens evenveel indruk maakt, zeker op een monumentaal bioscoopscherm, is de pure, cinematografische kracht die de film uitademt, als een levend, op pellicule gevat organisme. De piano die op een verlaten strand de beukende golven van de Stille Oceaan trotseert, de Britse kolonisten die tijdens een variétéavond een sinister schaduwspel van Blauwbaard ten tonele brengen, Ada die met haar ballonvormige jurk de modder doorploegt als een verdrinkende medusa: het is een stuwende stoet van omineuze, gotische beelden waarop Campion - nog steeds de enige vrouw die tot nu toe de Gouden Palm won - de kijker trakteert. Ondertussen vult de soundtrack zich met krijsende vogels, tjirpende insecten en de hunkerende pianomuziek van Michael Nyman, die indertijd haast even populair was als de met drie Oscars bekroonde film zelf. Ogen en oren open, mondmasker op en genieten, gruwen, hunkeren en huilen maar.