Altijd al hing er een nevel van controverse over Jerzy Kosinski's wereldvermaarde bestseller The Painted Bird, en niet alleen omdat hij verhaalt over de gruwelijke taferelen die een Oost-Europees kind tijdens de Tweede Wereldoorlog moet aanschouwen en ondergaan. Na de publicatie ervan in 1965 lekte immers uit dat Kosinski's claim dat het boek was gebaseerd op zijn eigen traumatische jeugdervaringen vrijwel zeker vals was, terwijl de in Polen geboren maar naar de States geëmigreerde succesauteur door anderen onomwonden van plagiaat werd beschuld...

Altijd al hing er een nevel van controverse over Jerzy Kosinski's wereldvermaarde bestseller The Painted Bird, en niet alleen omdat hij verhaalt over de gruwelijke taferelen die een Oost-Europees kind tijdens de Tweede Wereldoorlog moet aanschouwen en ondergaan. Na de publicatie ervan in 1965 lekte immers uit dat Kosinski's claim dat het boek was gebaseerd op zijn eigen traumatische jeugdervaringen vrijwel zeker vals was, terwijl de in Polen geboren maar naar de States geëmigreerde succesauteur door anderen onomwonden van plagiaat werd beschuldigd. Ook Vaclav Marhouls bijna drie uur durende filmadaptatie ontsnapt niet aan controverse, al was het maar omdat de Tsjechische regisseur de horror waaraan een naamloze, Joodse knaap wordt onderworpen in spookachtig mooie zwart-witbeelden giet. Je ziet hoe het huisdier van de jongen in de fik wordt gestoken door enkele kinderen, hoe hij levend wordt begraven door een zigeunerin die hem van al even wreedaardige dorpelingen heeft gekocht, hoe hij door een goedgelovige priester bij een pedofiele boer wordt gedumpt en hoe hij een speelbal wordt van Russen en nazi's. Marhouls loyale lezing is een gruwelstoet die als een ijle nachtmerrie voorbijtrekt, al steekt de filmische schoonheid wel schril af tegen de aardse lelijkheid waarmee de knul te maken krijgt. Het is een desoriënterend maar tegelijk ook hypnotiserend contrast, dat er deels voor zorgt dat de film (waarin Slavisch esperanto gesproken wordt om de context vaag en universeel te houden) nooit helemaal tot in de beurs gebeukte ziel van het jongetje weet te boren. Alsof Marhoul, die met het soldatendrama Tobruk (2008) al een keer eerder WO II verkende, zich onbewust schuldig maakt aan een soort pseudohistorisch, hyperesthetisch en door bekende koppen (Harvey Keitel, Stellan Skarsgard, Udo Kier) bevolkt ramptoerisme. Toch wordt het nooit gratuït of exploitatief, met dank aan de humanistische boodschap die je onder de 35-millimeterpellicule voelt sudderen. Marhouls monumentale epos, dat echo's oproept van Elem Klimovs superieure klassieker Kom en zie (1985) en zelfs Andrej Tarkovski's Ivan's Jeugd (1962), is immers niet enkel een haast fantasmagorische afdaling in een (on)menselijke oorlogshel. Het is ook een hommage aan verloren onschuld, jeugdig verzet en brandende hoop, een eerbetoon dat niet alleen in schitterende zwart-witcomposities wordt gebeiteld, maar ook in het kaalgeschoren kopje van Petr Kolar, de jongen die het continu gekooide, vernederde en mismeesterde geverfde vogeltje vertolkt. Ambigu, onthutsend, hallucinant en akelig mooi tegelijk.