Was het een mannelijke huiverfantasie over de demonische kracht van vrouwelijke seksualiteit? Een expressionistische poging om psychose op pellicule te branden? Of een lyrische, royaal in ketchuprood en discoblauw gedrenkte aanval op de zintuigen? Eenenveertig jaar nadat Dario Argento's Suspiria in al zijn barokke grandeur in de bioscopen kwam spoken, zijn filmliefhebbers er nog niet over uitgepraat. Eén ding is zeker: het is een cultklassieker die duidelijk ook op Luca Guadagnino een onuitwisbare indruk heeft gemaakt.
...

Was het een mannelijke huiverfantasie over de demonische kracht van vrouwelijke seksualiteit? Een expressionistische poging om psychose op pellicule te branden? Of een lyrische, royaal in ketchuprood en discoblauw gedrenkte aanval op de zintuigen? Eenenveertig jaar nadat Dario Argento's Suspiria in al zijn barokke grandeur in de bioscopen kwam spoken, zijn filmliefhebbers er nog niet over uitgepraat. Eén ding is zeker: het is een cultklassieker die duidelijk ook op Luca Guadagnino een onuitwisbare indruk heeft gemaakt. Dat de maker van Io sono l'amore, A Bigger Splash en Call Me by Your Name zich aan een remake - of beter: een herinterpretatie - waagt, is geeneens zo'n geschift idee. De Siciliaan heeft zich immers altijd al een sensualist getoond die graag en gretig vulkanische emoties toont van mooie mensen in somptueuze decors. Dat is in zijn Suspiria niet anders, met Dakota Johnson als de sexy Amerikaanse danseres die anno 1977, het jaar waarin het origineel uitkwam, in Berlijn belandt. In dat kille decor runt Guadagnino's fetisjactrice Tilda Swinton een dansschool voor meisjes, jaagt een bejaarde psychiater in gangen, gebouwen en archieven op spoken uit het verleden en volgen de bizarre en lugubere gebeurtenissen elkaar op. Helemaal anders dan het origineel zijn het palet, de toon en de stijl van de film. Niet alleen duurt Guadagnino's versie bijna een uur langer, Argento's felle kleuren, hoekige shots en pompende synthsoundtrack blijken ingeruild voor een herfstig palet, elegante rijbewegingen en melancholische muziek (van Radiohead-frontman Thom Yorke). Zo wil hij tussen de occulte passages, extatische dansscènes (in een choreografie van landgenoot Damien Jalet) en slierten namaakbloed door ook iets zeggen over de sluimerende geesten van Duitslands verleden, over de eeuwige strijd tussen lichaam en geest, over Eros en Thanatos. Helaas wordt nooit duidelijk wat Guadagnino nu precies over die thema's te melden heeft, behalve dat meisjes mooi maar ook mysterieus en moorddadig kunnen zijn en dat je extremistisch gespuis beter mijdt. Gaandeweg heb je de indruk dat hij zelf verloren is gelopen in zijn tot epische proporties opgeblazen, neomodernistische nachtmerrie, met zijn slepende tempo, bruuske flashbacks en andere geforceerde kunstgrepen. Zo mag Swinton niet alleen de opperheks maar ook Johnsons reumatische zielenknijper Dr. Jozef Klemperer spelen, weliswaar met de hulp van gezichtsprotheses, bril, debardeur en haar laagste stem. Het is delirante kitsch vermomd als beredeneerde kunst, maar gelukkig geldt ook het omgekeerde. Guadagnino zet alles met fetisjistisch genoegen, gevoel voor sfeer en stijl en een uitgestreken gezicht in beeld. Er zijn bijgevolg kwalijker oorden om in rond te dolen dan in zijn macabere labyrint, met complimenten aan de production design, cameraman Sayombhu Mukdeeprom (ook bekend van de films van Apichatpong Weerasethakul) en de goedgekozen cast. Bovendien is de climax waarin het vrouwelijke dansgezelschap zich aan een even buitenissig als bloederig spektakel waagt en de ingewanden gulzig aan het gulpen slaan, deugddoend excessief. Alleen had Argento in zijn originele horrorsprookje amper negentig kinetische minuten nodig om de kijker tot een audiovisueel orgasme te brengen, en was zijn voorspel stukken opwindender en meer rechttoe rechtaan.