Hoewel de zonnige jaren zestig al bijna een halve eeuw geleden overgingen in de mistige jaren zeventig, spreken de swinging sixties vandaag nog steeds tot de verbeelding. Weinig verwonderlijk, natuurlijk. Niet enkel zag dat decennium de geboorte van de anticonceptiepil, vrije seks en de minirok, evengoed was het getuige van hoe The Beatles in Amerika landden, Neil Armstrong een voet op de maan zette en Jimi Hendrix met zijn vurige gitaarsolo's op Monterey Pop en Woodstock een nieuwe jongeren- en tegencultuur lanceerde.
...

Hoewel de zonnige jaren zestig al bijna een halve eeuw geleden overgingen in de mistige jaren zeventig, spreken de swinging sixties vandaag nog steeds tot de verbeelding. Weinig verwonderlijk, natuurlijk. Niet enkel zag dat decennium de geboorte van de anticonceptiepil, vrije seks en de minirok, evengoed was het getuige van hoe The Beatles in Amerika landden, Neil Armstrong een voet op de maan zette en Jimi Hendrix met zijn vurige gitaarsolo's op Monterey Pop en Woodstock een nieuwe jongeren- en tegencultuur lanceerde. Wie over dit tumultueuze tijdsgewricht een documentaire van een strakke 85 minuten wil maken, moet ambitieus zijn. En ook een tikkeltje gestoord, want wat kun je vijftig jaar na datum nog toevoegen aan een periode die reeds door cineasten als D.A. Pennebaker, Frederick Wiseman, Michael Wadleigh en de Maysles-broers van binnenuit gedocumenteerd werd? Een cockney-accent, zo denkt David Batty, én een persoonlijke, nostalgische terugblik. Nadat hij zich eerder aan de verfilming van Jezus' geheime leven én dat van de vier evangelisten waagde - goed voor bijna veertien uur film - neemt hij de kijker in My Generation mee voor een razendsnelle helikoptervlucht over de goddeloze jaren zestig. Hoewel Batty zich ook in deze periodeschets devoot toont, gaat hij minder godvruchtig te werk. Samen met Michael Caine - die de docu aan elkaar praat met anekdotes, een portie noodzakelijke context en persoonlijke gesprekken met Marianne Faithfull, Twiggy, David Bailey en Paul McCartney - zoomt hij in op een klassiek, nogal doorzichtig gescript op- en neergangsverhaal van de jaren zestig. Zo focust hij eerst met swingend aan elkaar gemonteerde archiefbeelden en fragmenten uit Caines film Alfie (1966) op de periode waarin Britse jongeren met hun cockney-accent en hedonisme de oorlog verklaarden aan de generatie van hun ouders, om daarna de bloei van die beweging te belichten door interviews te verrijken met knap archiefmateriaal en een aanstekelijke soundtrack, alvorens de neergang wordt ingezet door een lsd-trip down memory lane. 'Zij hebben hun wereld vormgegeven met kanonnen en bommen', klinkt het in dat laatste deel. 'Het is helder voor onze generatie dat hun aanpak niet werkt.' Om die wereld te counteren pompten de jongeren haar vol nieuwe beelden, muziek, ideeën, drugs en iconen. In tegenstelling tot filmmakers die de ziel van die jaren vanuit haar grommende buik documenteerden, capteert Batty de verpakking door zich vooral op de beeldenmakers van die tijd te richten. Hierdoor voelt het resultaat soms gemaakt, in het slechtste geval zelfs triviaal, maar vaak ook aanstekelijk. De snelle 'klinkt het niet dan botst het maar'-stijl en de flair waarmee Caine op zijn begincarrière terugblikt, geven My Generation immers net dat extra beetje flowerpower.