Het tweede gelaat van Jan Verheyen met Koen De Bouw, Werner De Smedt en Sofie Hoflack.
...

Jan Verheyen heeft genoeg misdaadfilms gezien om er een flauw doorslagje van te kunnen maken. Dat is precies wat hij met zijn adaptatie van Jef Geeraerts' Vincke en Verstuyft-roman Double-face heeft gedaan. De regisseur die in 2009 nog verraste door met Dossier K een degelijker genrefilm af te leveren dan de door Erik Van Looy gefilmde voorganger en publieksfavoriet De zaak Alzheimer (2003) had nochtans beloofd nooit weer een film te maken over het door Koen De Bouw en Werner De Smedt gespeelde politieduo. Hij had zich beter aan die belofte gehouden, want met dit flauwe verhaaltje over twee commissarissen die het oneens zijn over de manier waarop een seriemoordenaar gevat moet worden doet hij geen enkele moeite meer om genreclichés te overstijgen. Naar eigen zeggen kon Verheyen niet aan de verleiding van een tweede Geeraertsverfilming weerstaan, omdat hij de kans kreeg stuntscènes te filmen waaraan hij anderhalve week mocht werken. Het zijn echter net die knullig in elkaar gedraaide loop- en schietscènes met de allure van een YouTube-amateurvariant op de Jason Bourne-films waaruit blijkt dat Verheyens ambities groter zijn dan zijn talent als actieregisseur. Bovendien is het plezier dat je beleefde aan de vrolijk kibbelende De Bouw en De Smedt helemaal weg nu hun personages ronduit ruzie krijgen. De Bouw kan boos kijken als de beste en De Smedt gaat duidelijk nog steeds dagelijks naar de fitness, maar er zijn regisseurs die al meer uit de twee acteurs wisten te halen. Net zoals er regisseurs zijn die meer spanning kunnen stoppen in een thriller over de speurtocht naar een gestoorde killer. Wie met beperkte middelen werkt, moet creatieve oplossingen zoeken voor die beperkingen en geen homeopathische variant van zijn grote voorbeelden proberen te maken. Het tweede gelaat is geen Hollywood aan de Schelde maar Hollywood in het water.