Gold (**) van Stephen Gaghan met Matthew McConaughey, Edgar Ramírez en Bryce Dallas Howard.
...

Matthew McConaughey speelt de dikkere en kalere versie van zijn nu al legendarische personage uit The Wolf of Wall Street (2013) in dit beleggersdrama dat hetzelfde 'greed is good'-terrein betreedt als Martin Scorsese's film, maar dan zonder de barokke exuberantie, bijtende satire of visuele punch. Die zijn nochtans handig wanneer je enige ironische afstand wilt creëren om niet voortdurend te vervallen in blinde bewondering voor een gruwelijk hebzuchtig hoofdpersonage. Een opdracht waar ook John Lee Hancocks recente biopic The Founder, over McDonald's-oprichter Ray Kroc, bij momenten moeite mee had. In Gold heet de inhalige protagonist Kenny Wells, die zijn kwaliteiten als belegger wil bewijzen door voor zijn mijnbedrijf goud te zoeken in de jungle van Indonesië. McConaughey aasde zelf overduidelijk op Oscargoud door de op verschillende bestaande personen gebaseerde man te spelen met veel armgezwaai, stemverheffingen, een vette pens en een half kaalgeschoren hoofd, maar werd geeneens genomineerd. Dat hoeft de Texaanse acteur niet per se zichzelf aan te wrijven, want als zijn fysieke performance door de Academy-leden niet gesmaakt werd, komt dat omdat het scenario hem voortdurend in woorden laat uitleggen wat een klasbak als McConaughey alleen al met zijn ogen kan tonen. En als de film in de States onder de radar is gebleven, dan komt dat omdat Gaghan - vooral bekend als scenarist van Steven Soderberghs Traffic (2000) en als regisseur van de smerige-oliethriller Syriana (2005) - de tachtiger jaren zo halfslachtig in zijn mise-en-scène verwerkt dat het resultaat er niet zo heel erg kundig geregisseerd uitziet. Niet dat Gold met zijn occasioneel vinnige montagesequensen spuuglelijk is, of door zijn dubbelzinnige verhouding met zijn hoofdrolspeler helemaal niets te vertellen heeft, maar Gaghan heeft net niet diep genoeg geboord om de échte goudader te vinden die ergens in dit verhaal schuilt.