Nu de bioscopen vrijwel wekelijks worden geannexeerd door generische gruwel uit Hollywood is een portie eigengereide J-horror meer dan welkom, zeker wanneer die sciencefiction, actie, satire en existentiële muizenissen in de mix gooit. Invloeden vermengen is wat Kiyoshi Kurosawa intussen al een kwarteeuw doet, en ook in zijn twintigste film neemt de Japanse regisseur van genrehybrides als Cure (1997), Pulse (2001), Bright Future (2004) en het filmfeuilleton Shokuzai (2012) je mee naar de schemerzone tussen aards realisme en bovennatuurlijke suspense, en slaat hij onderwe...

Nu de bioscopen vrijwel wekelijks worden geannexeerd door generische gruwel uit Hollywood is een portie eigengereide J-horror meer dan welkom, zeker wanneer die sciencefiction, actie, satire en existentiële muizenissen in de mix gooit. Invloeden vermengen is wat Kiyoshi Kurosawa intussen al een kwarteeuw doet, en ook in zijn twintigste film neemt de Japanse regisseur van genrehybrides als Cure (1997), Pulse (2001), Bright Future (2004) en het filmfeuilleton Shokuzai (2012) je mee naar de schemerzone tussen aards realisme en bovennatuurlijke suspense, en slaat hij onderweg regelmatig een zijweggetje in dat naar verrassingen leidt. Nochtans klinkt de high-concept-pitch zo vertrouwd in de oren dat een beetje filmconnaisseur meteen denkt: hey, dit is Invasion of the Body Snatchers, maar dan in hedendaags Japan! Drie buitenaardse wezens blijken namelijk bezit te hebben genomen van de lichamen van drie jonge Japanners om informatie over de planeet Aarde in te winnen en een invasie voor te bereiden. Een van hen heeft het lijf en de geest van Shinji uitgekozen, het liefje van de mooie, mondige Narumi, die vindt dat haar vriendje wel erg raar doet. Lang duurt het niet vooraleer de alien in Shinji begint te twijfelen of de planeet annexeren wel zo'n goed plan is, zeker nu hij ziet en zowaar ook voelt dat sommige aardbewoners best wel oké zijn. Kurosawa is de elfendertigste filmmaker die sciencefiction gebruikt als platform om vragen te stellen over wat ons mens maakt en over hoe onaards we soms met elkaar omgaan. Alleen mijdt hij voorgekauwde ecoslogans, ultrazware allegorieën of paranoïde pseudomystiek met 'the truth is out there' als motto. Hij houdt alles licht en luchtig en plakt de meanderende plot aaneen met alledaagse observaties en cartooneske humor. Toch gooit hij er in de proloog meteen al een paar lijken en een spectaculair verkeersongeval tegenaan, om pas op het einde, nadat je anderhalf uur naar een excentrieke relatiesoap hebt zitten kijken, alsnog opnieuw de spektakelkaart te trekken, inclusief het nodige CGI-vuurwerk. Veel diepzinnigs over de condition humaine heeft Kurosawa - néé, geen familie van Akira - tussendoor niet te zeggen, en alles had beslist korter en krachtiger gekund. Kwalitatief blijven Cure, Bright Future, Tokyo Sonata en andere dus als satellieten boven deze scifi-spielerei zweven. Al zapt de Japanse veteraan ook nu gezwind tussen verschillende stijlen, toonaarden en referenties aan de popcultuur, alsof zijn innerlijke Steven Spielberg en Takashi Miike om beurten in de cockpit mogen zitten. Geen zinderend staaltje cinema dat je doet huiveren van opwinding, wel een amusant curiosum dat zowel op brein, lachspieren, zenuwbanen als hart mikt.