It comes at night van Trey Edward Shults met Joel Edgerton, Kelvin Harrison Jr., Riley Keogh
...

Van Invasion of the Body Snatchers, over Rosemary's Baby tot Videodrome: goede horrorfilms hebben hun tijd altijd al een met bloed besmeurde of door geesten bedampte spiegel voorgehouden. Dat heeft ook Trey Edward Shults goed begrepen. Met zijn tweede, in Sundance bejubelde langspeler levert de jonge indieregisseur niet alleen de beklemmendste genrefilm van het jaar af, hij trakteert ook op een van de allereerste huivertrips over het verdeelde Amerika van vandaag en over de wereldwijde angst voor vluchtelingen. Zoals het de beste voorbeelden uit het genre betaamt, doet Schults dat zonder het 'monster' te benoemen of te tonen. Plaats van actie is een huis in een donker bos waar een familie - vader, moeder, zoon - zich schuilhoudt sinds een dodelijke en uiterst besmettelijke plaag is uitgebroken. Ramen worden afgeplakt, deuren vergrendeld en contact met anderen als de pest gemeden. Of toch tot op zekere nacht een ander gezin van overlevenden aanklopt en de patriarch des huizes - intens vertolkt door Joel Edgerton - niet anders kan dan hun onderdak te bieden, al was het maar omdat hij hun voedselvoorraad nodig heeft. Toegegeven: nieuw is die cabin-in-the-woods-premisse niet. En wie zijn horrorklassiekers kent, ziet de begeesterende spoken van Stanley Kubricks The Shining (die door gangen glijdende tracking shots), George A. Romero's Night of the Living Dead (dat allegorische doemsfeertje) en postapocalyptische parabels de revue passeren. Alleen rooit Shults het zonder zombies, beperkt hij het aantal jump scares tot een minimum en laat hij zijn atmosferische huiverfilm muteren tot een familiaal huis clos over liefde, geborgenheid en vertrouwen. Of beter: het gebrek daaraan in een wereld in crisis. Zoals genregenoten It Follows (2014) en Get Out (2016) gingen over respectievelijk seksuele angsten en latent racisme, zo gaat It Comes at Night onder zijn ijle laklaag over noodgedwongen samenhokken met vreemden en over de virale paranoia die daaruit voortvloeit. Je hoeft bijgevolg geen cursus semiotiek gevolgd te hebben om de beproefde familie met blanke vader en zwarte moeder te lezen als symbool voor de smeltkroes die de VS is, en Travis - de tienerzoon van het gemengde koppel - als het geweten van dienst, balancerend op de grens tussen kind en volwassene, onschuld en medeplichtigheid. Bovendien zijn het Travis' angstdromen die de dramatische motor aansturen, en laat Shults je bij momenten bewust in het ongewisse of hetgeen je ziet nu echt gebeurt dan wel of je naar de waanbeelden van zijn protagonist zit te kijken. Schrik dus niet wanneer een en ander uitmondt in een climax die als een koude klets in je gezicht aankomt. Of wanneer de personages - met hun vage achtergronden - pionnen op een psychologisch schaakbord blijken. Want Shults, die zijn alt.horror-hit zelf schreef en monteerde, is een gewiekste strateeg die weet dat je eerst de vorm moet beheersen om inhoudelijk iets relevants te melden over de troebele tijden van Trump, terreur en andere plagen. Horror met hersens én met gevoel voor suggestie, sfeer, ritme en ruimte.