Een film die About Endlessness heet maar toch afklokt na amper 76 minuten? Het is het soort wrange, uitgebeende ironie waar Roy Andersson ondertussen al een paar decennia het patent op heeft, maar zelden kwam de onvolprezen, Zweedse meester van het komische understatement zo teder en vergevingsgezind uit de hoek als nu.
...

Een film die About Endlessness heet maar toch afklokt na amper 76 minuten? Het is het soort wrange, uitgebeende ironie waar Roy Andersson ondertussen al een paar decennia het patent op heeft, maar zelden kwam de onvolprezen, Zweedse meester van het komische understatement zo teder en vergevingsgezind uit de hoek als nu.Een katholieke priester die danig worstelt met zijn geloof. Een koppel dat uitkijkt over een stad die in puin werd gelegd, alsof een doek van Marc Chagall tot leven komt. Hitler die zijn stoffige bunker binnenstrompelt, terwijl verslagen soldaten richting gevangenkamp sjokken. Een tandarts die het getalm van zijn patiënt niet meer aankan. Ze passeren stuk voor stuk de revue in perfect bemeten, haast pointillistisch geschilderde tableaux vivants die dampen van de existentiële tristesse, maar telkens lijkt de Zweedse veteraan -- 77 inmiddels -- zijn geblutste personages te trakteren op een zachte aai in plaats van op een sarcastische grijns.Wie Andersson afdoet als een Scandinavische misantroop, als een August Strindberg met camera en gortdroog gevoel voor humor, doet daarom afbreuk aan het humanisme waar zijn vaak pijnlijk grappige, artisanaal vervaardigde vignetten bol van staan. Een vader die in de gietende regen de veters van zijn dochtertje probeert te strikken of tienermeisjes die spontaan beginnen te dansen in een doods café, waar de klanten al even vergeeld ogen als het vintagemeubilair: het zijn sketches vol liefde en levenslust die de eeuwige stoet aan aardse ellende oplichten, en duidelijk maken dat het leven dan wel futiel en zinloos is, maar dat je daarom nog niet hoeft te sakkeren en te wanhopen, al was het maar omdat gesakker en wanhoop in Anderssons lijkbleke maar o zo geestige levensvisie al even futiel en zinloos is.Wie Anderssons volstrekt unieke werk kent -- in 2000 won hij in Cannes de juryprijs voor Songs from the Second Floor en in 2016 in Venetië de Gouden Leeuw met A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence -- zal weinig nieuws ontdekken, behalve misschien dat er dit keer minder punchlines zijn. Alle scènes zijn als vanouds opgenomen in zijn studio in Stockholm, die hij financierde met het draaien van reclamespots. Het production design oogt opnieuw klinisch precies, met veel oog voor sfeer, compositie en detail. De groteske, meestal anonieme personages lijken weer eens uit een schilderij van Otto Dix of James Ensor geslopen. Maar waarom zeuren over déjà vu wanneer Andersson je mogelijk voor de allerlaatste keer (hij sukkelt al een poos met zijn gezondheid) laat naar binnen loeren in zijn heerlijk absurdistische kolderkabinet; daar waar mensen groot en klein vaker met vallen dan opstaan de banaliteit van het bestaan proberen te bekampen?Droefgeestig in alle betekenissen van het woord, en het perfecte serum tegen de lockdownblues.