Geen dokter die het verklaren kan: ik hoef de naam Harry Dean Stanton maar op de generiek van een film te zien en mijn gemoed schiet vol. Mijn eerste tranen voor Harry vloeiden bij Wim Wenders' roadmovie Paris, Texas (1984), een bloedmooi stukje americana én Stantons grote doorbraak. Op zijn 58e.
...

Geen dokter die het verklaren kan: ik hoef de naam Harry Dean Stanton maar op de generiek van een film te zien en mijn gemoed schiet vol. Mijn eerste tranen voor Harry vloeiden bij Wim Wenders' roadmovie Paris, Texas (1984), een bloedmooi stukje americana én Stantons grote doorbraak. Op zijn 58e. In de jaren voordat Wenders hem castte als de getroebleerde eenzaat Travis had Stanton al een fraai bijrolparcours afgelegd als cowboy, boosaardige boef en ander country trash. Vandaag vormt hij, hoe kort zijn scènes ook zijn, vaak het belangrijkste argument om dat bandwerk uit de fifties en sixties nog te bekijken. Niet dat er geen parels tussen zitten. Bij een daarvan, cultklassieker Ride in the Whirlwind (1966), leerde Stanton trouwens van Jack Nicholson om als acteur zo veel mogelijk te zíjn en zo weinig mogelijk te doen: 'Just let the wardrobe do the acting.' Nicholson werd een vriend voor het leven, sliep op Stantons bank wanneer het thuis niet goed ging en zijn acteeradvies werd de leidraad in Stantons carrière, die daarna vooral zichzelf speelde. Wanneer zijn innerlijke demonen van het moment toevallig niet overeenkwamen met die van het personage, weigerde Stanton de rol. 'Te veel werk' was 's mans standaardantwoord op de vraag waarom hij nooit een echte leading man was geworden. En op de onvermijdelijke volgende vraag antwoordde Stanton steevast 'I don't do regret.'Stanton studeerde aan de no-nonsenseacteerschool, een imaginaire plek waar ooit Robert Mitchum lesgaf en waar Clint Eastwood en Jeff Bridges klasgenootjes waren. Wat helpt, is dat Stanton een gezicht heeft waar de Schepper het begrip 'droefenis' in geboetseerd heeft, en dat Stanton altijd slim genoeg was om dat gezicht het grootste deel van het werk te laten doen. Daarom houd ik het niet droog wanneer hij in het onvolprezen gevangenisdrama Cool Hand Luke (1967) een gitaar neemt en de gospelsong Just a Closer Walk with Thee zingt of wanneer hij in het nieuwe seizoen van Twin Peaks zijn gebroken stem leent aan het cowboylied Red River Valley. Daarom pleng ik een traan wanneer hij in Pretty in Pink (1986) zijn door Molly Ringwald vertolkte dochter een baljurk schenkt. En daarom pink ik zelfs een traantje weg wanneer hij in Alien (1979) onzacht in aanvaring komt met Xenomorph XX121 en moet ik huilen als een kind wanneer hij in Two-Lane Blacktop (1971), Monte Hellmans ultieme roadmovie, Warren Oates probeert te versieren in de passagierszetel van diens Pontiac GTO. Misschien is het wel daarom dat Stanton vooral bijrollen speelde: teerhartige kijkers krijgen zijn hoofdrollen emotioneel nauwelijks verwerkt. Dat is nergens zo erg als in Paris, Texas, waarin hij het eerste halfuur zelfs geen woord zegt. De paar scènes waarin hij toch zijn mond opentrekt, bevatten monologen die zich in je gevoelsgeheugen ergens tussen de geboorte van je eerste kind en de break-up met je eerste grote liefde nestelen. In Lucky is de karakterkop iets grofgebekter, maar Stantons laatste hoofdrol zorgt evengoed voor opwellend vocht in de ooghoeken omdat het onderscheid tussen zijn leven en dat van zijn personage even dun wordt als zijn 90-jarige velletje: vrijwel elke scène is op een anekdote uit zijn leven gebaseerd. Stantons beste films overstijgen dankzij zijn aanwezigheid steeds de artistieke ambities van hun makers. Hij geeft ze een ziel. En zelfs voor de ietwat ongepolijstere edelstenen in zijn oeuvre geldt onverminderd de 'Stanton-Walsh rule' van de Amerikaanse filmcriticus Roger Ebert: 'Geen film waarin Harry Dean Stanton of M. Emmet Walsh een bijrol heeft, kan volledig slecht zijn.'