Sir Ian McKellen wordt vandaag tachtig. Al lijkt hij nog steeds de ambitieuze letterkundestudent die zestig jaar geleden via een beurs op Cambridge belandde en daar in de theaterclub oudemannenrollen speelde: hij is en blijft een man van het theater. In de filmwereld brak hij pas door op latere leeftijd met films als Gods and Monsters (1998), een hommage aan oude Frankensteinfilms - hoewel McKellen zelf geen horror kan kijken zonder het volume lager te zetten. Kaskrakers X-Men (2000) en Lord of the Rings (2001-2003) bestendigden zijn succes.

Om zijn verjaardag te vieren, toert McKellen met anekdotes en monologen langs Britse theaters. Hij haalt er herinneringen op zoals Gus de theaterkat doet in de musical Cats. Met de rol van die oude kater komt McKellen eind dit jaar opnieuw in de cinemazalen. Al wil McKellen, meer dan om zijn loopbaan, herinnerd worden als activist voor LGBTQ+-rechten.

Ian McKellen als Richard II in 1968 © mckellen.com

De blauwe ogen van McKellen gaan dan wel stilaan wat dieper liggen, hij doet er nog steeds evenveel mee. Van 2013 tot 2016 rolden ze toen hij met jeugdvriend Derek Jacobi een bitchy bejaard koppel speelde in sitcom Vicious. Ze glansden onder de nepwimpers van weduwe Twankey in een kerstproductie van Aladdin (2004, The Old Vic Theatre). Als je je afvraagt wat van McKellen zo'n gerenommeerd acteur maakt, krijg je steevast hetzelfde antwoord: hij acteert met de ogen.

Én hij heeft een natuurlijke aanleg voor rekwisieten. Meestal toch. In Richard III (1990, Royal National Theatre) stak hij tijdens het openingsmonoloog met één hand een sigaret op en kleedde hij zich even later met de andere hand uit om Lady Anne in te pakken. Toen hij in een productie van Peter Pan (1997, Royal National Theatre) Kapitein Haak speelde, was de haak geen probleem - McKellen speelt immers behendig met één hand - wel de nepkrokodil. Die moest de kapitein opeten en bezorgde hem overal blauwe plekken. De tanden werden dan maar snel vervangen door een rubberen versie.

© /

D.H. Lawrence in Priest of Love (Christopher Miles, 1981)

Christopher Miles was bijna tien jaar bezig om deze biopic over schrijver D.H. Lawrence naar het scherm te krijgen en toen dat eindelijk lukte, ging er bijna niemand kijken. Poor bastard. De film is nu vrijwel in de obscuriteit verdwenen maar de cast mag er zijn, met buiten McKellen ook nog goed volk als Ava Gardner en John Gielgud. McKellen is zelfs zo goed dat je bijna zin krijgt om Lawrence' bekendste schandaalroman Lady Chatterley's Lover te lezen. Tot je beseft dat je geen seksueel onderdrukte huisvrouw uit het tijdperk van Mad Men bent.

John Profumo in Scandal (Michael Caton-Jones, 1989)

Een van de sappigste politieke schandalen van de vorige eeuw kreeg in 1989 een uitstekende verfilming door Michael Caton-Jones. McKellen speelt John Profumo, de conservatieve politicus die anno 1961 de gunsten van een callgirl deelt met een Russische attaché (Jeroen Krabbé, toen die nog dacht dat hij een internationale carrière had). Het spreekt voor zich dat dat in volle Koude Oorlog niet licht werd opgevat. McKellen, met indrukwekkende kale schedel, brengt menselijkheid en kwetsbaarheid naar een in wezen onsympathieke rol en het succes van Scandal betekende een boost voor zijn filmcarrière.

Adolf Hitler in Countdown to War (Patrick Lau, 1989)

Deze vergeten televisiefilm concentreert zich op de aanloop naar de invasie van Polen en werd geschreven door Ronald Harwood, die ook de scenario's leverde voor The Pianist en Le scaphandre et le papillon. Naar eigen zeggen concentreerde McKellen zich erg op lichaamstaal, om te vermijden dat hij van Hitler een karikatuur zou maken. Geen Bruno Ganz-uitbarstingen, maar vooral een stille intensiteit. En een zot snorretje, natuurlijk. Dat ook.

De Dood in Last Action Hero (John McTiernan, 1993)

Zat Ian McKellen ooit in een Arnold Schwarzenegger-vehikel? O jawel. Last Action Hero was eigenlijk Woody Allens Purple Rose of Cairo, maar dan voorzien van een lobotomie en veel explosies. In plaats van Jeff Daniels is het deze keer der Schwarz die van het filmscherm de echte wereld instapt. De twist is dat alle ándere filmpersonages dat ook kunnen, inclusief de Dood uit Ingmar Bergmans Het zevende zegel. En zo krijgen we dus een scène waarin Schwarzenegger oog in oog staat met een zwart-witte McKellen als een van de meest iconische personages van de zwaarmoedige Zweedse regisseur. Highbrow meets lowbrow.

Richard III in Richard III (Richard Loncraine, 1995)

Shakespeare was hot, midden jaren negentig. Kenneth Branagh werkte aan zijn reputatie als nieuwe Olivier (jammer maar helaas, Ken), Baz Luhrmann scoorde een hit met Romeo + Juliet en Richard Loncraine maakte een waanzinnig creatieve versie van Richard III, die zich afspeelt in een alternatief Engeland, circa 1940. McKellen amuseert zich kostelijk als Richard, die hier een nationalistische militaire leider is. Hij maakt er een charmante schurk van die het publiek medeplichtig maakt aan zijn wandaden. De beroemde openingsmonoloog - 'Now is the winter of our discontent...' - levert hij terwijl hij aan een urinoir staat, wat de toon van zijn eindeloos vermakelijke interpretatie perfect samenvat.

Nicolaas II in Rasputin (Uli Edel, 1996)

Regisseur Uli Edel had net het bespottelijke 'Madonna doet aan sm'-festijn Body of Evidence gemaakt en wat doet een mens daarna? Hij keert stilletjes terug naar de tv en hij wacht tot er genoeg tijd is gepasseerd om nog eens een bioscoopfilm te maken. Zo maakte Edel onder andere de tv-biopic Rasputin, met Alan Rickman als de befaamde gekke Russische monnik en McKellen als tsaar Nicolaas II. Het resultaat was intens cheesy, maar de acteurs leken zich prima te vermaken.

James Wale in Gods and Monsters (Bill Condon, 1998)

Ook wel bekend als 'de film waarin zelfs Brendan Fraser best oké was'. McKellen speelt James Whale, de regisseur van de oude Frankenstein-films en een notoir homoseksueel, die tijdens de laatste weken van zijn leven zijn oog laat vallen op zijn fors gebouwde tuinier. Gods and Monsters is een warme ode aan de klassieke horrorfilms van de jaren dertig en bij uitstek de film die de ogen van de filmindustrie definitief opende voor McKellens potentieel als leading (old) man.

Magneto in X-Men (Bryan Singer, 2000)

Bryan Singer werkte voor het eerst met McKellen samen voor Apt Pupil in 1998. Die film zonk als een baksteen, maar toen Singer kort daarna de X-Men-reeks mocht opstarten, was McKellen zijn eerste keus om schurk Magneto te spelen. Het was McKellens eerste grote blockbuster en de film die hem op zijn 61e alsnog een household name maakte. De cultuursnob in ons vindt dat jammer, maar als we heel eerlijk zijn, vonden we die scène waarin Magneto het ijzer uit het bloed van een bewaker haalt om er kogels van te maken best wel cool.

Gandalf in The Lord of the Rings (Peter Jackson, 2001-2003)

De enige acteur die ooit genomineerd werd voor een Oscar in de hele Lord of the Rings-trilogie van Peter Jackson? Yup, Ian McKellen. Een honderden jaren oude tovenaar spelen wiens dialogen voornamelijk bestaan uit zinnen als: 'Mumble mumble forest! Mumble mumble danger! Mumble Ring!' ga er maar eens aan staan. Gewoon al het feit dat daar toch wat menselijkheid in zit, is al indrukwekkend.

King Lear in King Lear (Trevor Nunn, 2008)

McKellen heeft zowat alle grote Shakespeare-rollen gespeeld in zijn carrière (vooral zijn omstreden Macbeth, met Judi Dench als Lady Macbeth, schijnt zwaar de moeite te zijn). Momenteel is hij natuurlijk op een leeftijd gekomen waarop King Lear de voor de hand liggende rol is geworden en die speelde hij dan ook voor The Royal Shakespeare Company, in een regie van theaterveteraan Trevor Nunn. Een goed in elkaar gestoken televisieregistratie is te vinden op dvd voor wie weet waar te zoeken en is zwaar de moeite.

Dit is een bewerkte en aangevulde versie van een artikel dat in 2014 in Knack Focus verscheen.