Een bruid en een bruidegom staan op het punt te trouwen terwijl buiten de Amerikaanse B-52's overvliegen en het bommen regent. Ramen en deuren sneuvelen. Op de klankband is een krijsende baby te horen die je evenwel niet te zien krijgt, in tegenstelling tot een pompeus portret van der Führer. Het lawaai is oorverdovend, de chaos compleet. Nog voor de credits verschijnen en er een woord wordt gezegd, voel je al wat de gedoemde personages te wachten staat.
...

Een bruid en een bruidegom staan op het punt te trouwen terwijl buiten de Amerikaanse B-52's overvliegen en het bommen regent. Ramen en deuren sneuvelen. Op de klankband is een krijsende baby te horen die je evenwel niet te zien krijgt, in tegenstelling tot een pompeus portret van der Führer. Het lawaai is oorverdovend, de chaos compleet. Nog voor de credits verschijnen en er een woord wordt gezegd, voel je al wat de gedoemde personages te wachten staat. Niet alleen is dat de onvergetelijke openingsscène van Die Ehe der Maria Braun (1978), het is ook hoe Rainer Werner Fassbinder, de maker van de film, in mei 1945 ter wereld kwam. Of toch volgens zijn eigen, door drank, drugs en een hyperactieve fantasie benevelde overlevering. In werkelijkheid werd Fassbinder - na de scheiding van zijn bourgeoisouders opgevoed in München door zijn moeder, een vertaalster - geboren enkele weken nadat de laatste bommen boven nazi-Duitsland waren gedropt. Maar hevige emoties een tandje hoger zetten, de grimmige realiteit een tikje bijkleuren en het scalpel in zijn bevlekte heimat zetten is wat hij als regisseur, acteur, monteur, schrijver en creatief eenmansleger altijd heeft gedaan. Meer nog: Fassbinder deed het aan zo'n hels tempo, met zo'n intensiteit en zo veel branie dat hij nauwelijks 37 jaar oud het tijdelijke alweer inruilde voor het eeuwige. In zijn korte, hectische carrière liet hij meer dan veertig langspeelfilms, 26 toneelstukken en twee tv-series na, waaronder verschillende die nog steeds te boek staan als absolute klassiekers. Die bitteren Tränen der Petra von Kant (1972), Angst essen Seele auf (1973), Effi Briest (1974), Faustrecht der Freiheit (1975), Die dritte Generation (1979), de tv-serie Berlin Alexanderplatz (1980)... Geen enkele andere Duitse filmmaker liet na de oorlog zo'n indrukwekkend oeuvre na. Ook zijn nog altijd actieve land- en generatiegenoten Wim Wenders, Werner Herzog en Volker Schlöndorff niet, die andere iconen van de Neue Deutsche Kino, die in de jaren zeventig voor een blitzkrieg op de Europese cinema zorgde. Het maakt van Fassbinder een moderne Faust, een artiest die zijn ziel leek te hebben verkocht aan de duivel in ruil voor creativiteit en roem, maar dat pact bekocht met een akelig vroege dood. Bovendien hield hij er een privéleven vol drank, coke, stormachtige biseksuele affaires en vlammende ruzies op na dat al minstens zo melodramatisch was als sommige van zijn films. 'Zelfs Fassbinder is dus sterfelijk', zou de flik gezegd hebben die op 10 juni 1982 zijn lijk vond, met een streep opgedroogd bloed uit de neusvleugel en naast hem een onafgewerkt script voor een biopic over de communistische heldin Rosa Luxemburg. Stond het werkelijk zo in het autopsieverslag? Of deed zijn biograaf Robert Katz er een dramatisch schepje bovenop in zijn boek Liebe ist kälter als der Tod (tevens de titel van het misdaaddrama waarmee Fassbinder in 1969 doorbrak)? Feit is dat het nooit helemaal duidelijk is geworden hoe de man, de mythe, zijn onwaarschijnlijke productie en de dionysische excessen zich precies tot elkaar verhielden, al had het hypergetalenteerde probleemkind van Stunde Null (het einde van het nazisme) dat ook niet anders gewild. *** Fassbinder was een cultfiguur, rebel en genie, maar hij was ook een bullebak, een manipulator en een monster. Toch als je de vele beroemde getuigen mag geloven die hun carrière aan hem danken, en die de status van hun volatiele, immer in leren jekker gehulde mentor alleen nog groter maakten. Met zijn fetisjacteur Udo Kier deelde hij soms de sponde (zoals hij dat wel vaker deed met zijn ontdekkingen). Zijn muze Hanna Schygulla borstelde hij in zeventien van zijn regies fetisjistisch in beeld, maar hij raakte haar nooit aan. Zijn cameraman Michael Ballhaus toog na zijn dood naar Hollywood om daar met Scorsese en Coppola te werken. Zijn componist en ex-minnaar Peer Raben zou later ook muziek schrijven voor Wong Kar-wai en Barbet Schroeder. Allemaal braken ze door onder de vleugels van Fassbinder, die rond zich een artistieke commune verzamelde waarvan hij de onbetwiste goeroe was. Dat deed hij eind jaren zestig al met zijn Action-Theater, later Antiteater, waarvoor hij controversiële stukken als Katzelmacher (1968) pende. Het was een ensemble dat, zoals zovele andere in die tijd, radicaal links georiënteerd was, en waar zich ook ene Andreas Baader in schuilhield, de man die later een bloederig spoor door de Bondsrepubliek zou trekken met zijn terreurgroep Rote Armee Fraktion. Wie 'ja' knikte, deelde dankbaar in Fassbinders succes, de opwinding en de energie. Wie 'nein' durfde te zeggen, werd eruit gebonjourd of vernederd. Desnoods voor de camera. Fictie en realiteit liepen in Fassbinders werk immers naadloos in elkaar over, en aangezien hij vaak met dezelfde acteurs, alter ego's en (auto)biografische elementen speelde, is het onmogelijk hem te scheiden van zijn werk, wat enkel bijdroeg tot de cultus die rond hem ontstond. Het was alsof hij privé en professioneel een gesamtkunstwerk vormde dat niet alleen de subversieve tijdgeest van de sixties en seventies capteerde, maar dat ook de demonen van het naziverleden wilde verjagen. Enerzijds stond hij - als lid van de eerste generatie die geen directe link meer met het Derde Rijk had - symbool voor het seksueel, politiek en artistiek bevrijde West-Duitsland van na de oorlog. Anderzijds was hij een sater, provocateur en criticus die in gapende wonden roerde en vond dat zijn vaderland zich nooit volledig van het nazisme had gedistantieerd. Met Die Ehe der Maria Braun, Lola (1981) en Die Sehnsucht der Veronika Voss (1982) maakte Fassbinder zelfs een trilogie over de naweeën van het nazisme in het naoorlogse Duitsland, terwijl hij in zijn vijftien uur durende magnum opus Berlin Alexanderplatz terugkeerde naar de Weimarrepubliek waar de nazispoken ontkiemden. Vaak koos Fassbinder daarbij gepassioneerd de kant van de outsiders die zich verstoten voelden door het kapitalistische en conformistische wirtschaftswunder. Veel van zijn personages waren arm, werkloos, depressief of drankzuchtig, en hij was ook een van de eersten om bepaalde minderheden een gezicht te geven in de brave, blanke Duitse cinema. In Angst essen Seele auf toont hij hoe een weduwe zich verlooft met een jongere Marokkaanse gastarbeider (met wie Fassbinder op dat moment backstage een relatie had). In In einem Jahr mit 13 Monden (1978) schetst hij het portret van een afgewezen transseksueel. En homo's waren altijd al in zijn taboedoorbrekende films te zien, aangezien hij zelf openlijk biseksueel was - met een grote appetijt bovendien. 'Each man kills the thing he loves', zingt Jeanne Moreau in Querelle, zijn homo-erotische Jean Genet-adaptatie over een moordende matroos, die in 1982 zijn laatste film zou worden. Als dat klopt, zag Fassbinder zichzelf dus wel erg graag. Maar niet Eros en Thanatos dreven hem op zijn 37e de kist in, evenmin als de pillen die hij slikte of de coke die hij snoof om zichzelf bij te houden. Het was de dodelijke cocktail van dat alles, alsof hij zich altijd van zijn gewisse ondergang en onafwendbare fatum bewust was. 'Al op vroege leeftijd wist ik dat ik veel films zou maken', zei de man die in 1966 twee keer knalhard afgewezen werd door de filmacademie van Berlijn, maar net daardoor vastbesloten leek als een autodidactische tornado door de Duitse cinema te razen. Als een afrekening, een j'accuse, een existentiële cri du coeur. Zelf noemde hij zijn conditie 'een speciale mentale ziekte', al was het finaal toch gewoon zijn hart dat het op 10 juni 1982 begaf na duizend-en-een nachten vol coke en slaappillen. *** Fassbinder, wiens invloed nog steeds te spotten valt bij Pedro Almodóvar, François Ozon, Todd Haynes en vele anderen, was een explosief vat vol contradicties. Hij was openlijk gay, maar huwde twee van zijn actrices, gedroeg zich vaak als een seksistische macho en kreeg het aan de stok met feministen en holebi's. Hij was links en antiautoritair maar had een hekel aan communisten en regeerde zijn set als een dictator. Hij kwam uit een Beiers bourgeoismilieu, maar ging op zijn vijftiende uit werken en dweepte met de marge. Hij schuimde 's nachts de kroegen af op zoek naar plezier en vertier, maar had overdag de nuchtere werkethiek van Stachanov. Maar de fascinerendste tegenstelling aan het fenomeen Fassbinder - een cinefiele veelvraat die gek was op Douglas Sirk, Luchino Visconti, Jean-Luc Godard, Raoul Walsh en Nic Ray - is dat er aan zijn aangrijpende films amper iets te merken valt van alle chaos en razernij waarmee ze tot stand kwamen. Hij was de koning van het sombere melodrama, van de theatrale toets, van het gestileerde sentiment, maar vooral van de empathische, messcherpe kijk op kleine mensen met al hun kleine kantjes. De teleurgestelde fruitventer die besluit zich dood te drinken in Händler der vier Jahreszeiten (1971), de modeontwerpster die haar waardigheid verliest in haar obsessieve liefde voor een jonge vrouw in Die bitteren Tränen der Petra von Kant, de cabaretzangeres die haar Joodse minnaar voor de nazi's helpt te vluchten in de hollywoodiaanse tearjerker Lili Marleen (1981): het zijn tragische figuren die je hart in reepjes scheuren, maar die Fassbinder hartstochtelijk aan de borst drukt. 'Slapen doe ik wel als ik dood ben', luidt zijn beroemdste uitspraak, en dat doet hij dus al sinds 1982, maar zijn fabuleuze films, zijn geniale geest, zijn artistieke erfenis bruisen gelukkig nog steeds. Zum Wohl!