Quelle est votre plus grande ambition dans la vie?' vraagt een journalist in Jean-Luc Godards À bout de souffle (1960) aan Parvulesco, een schrijver met deukhoed en zwarte bril. 'Devenir immortel ... et puis ... mourir', antwoordt die laatste. De man die de lichtjes arrogante Parvulesco vertolkt, is Jean-Pierre Melville, de regisseur die Godard met jump-cuts leerde werken en met zijn drang naar onafhankelijkheid de basis legde voor de nouvelle vague, jaren voor die op gang wordt getrokken door de film waarin hij nu een cameo vertolkt.
...

Quelle est votre plus grande ambition dans la vie?' vraagt een journalist in Jean-Luc Godards À bout de souffle (1960) aan Parvulesco, een schrijver met deukhoed en zwarte bril. 'Devenir immortel ... et puis ... mourir', antwoordt die laatste. De man die de lichtjes arrogante Parvulesco vertolkt, is Jean-Pierre Melville, de regisseur die Godard met jump-cuts leerde werken en met zijn drang naar onafhankelijkheid de basis legde voor de nouvelle vague, jaren voor die op gang wordt getrokken door de film waarin hij nu een cameo vertolkt. Melville laat zich het eerbetoon en de eretitel 'peetvader van de nouvelle vague' welgevallen, maar weigert om zich tot eender welke stroming te bekennen. Bovendien heeft hij weinig met de Franse cinema. Zijn invloeden liggen in de Amerikaanse gangsterfilms uit de jaren dertig en de noirfilms uit de jaren veertig, met hun hard-boiled dialogen, onverzettelijke flikken en clichés spuiende gangsters. Daar heeft hij er als tiener véél van gezien: als jonge snaak bracht hij vaak achttien uur of meer aan een stuk in de bioscoop door. Want, zegt hij daar later over, je moet in de eerste plaats verliefd zijn op cinema om films te maken (een zin die Quentin Tarantino, een van zijn vele adepten, decennia later haast letterlijk zal herhalen). Het besluit van de jonge cinefiele veelvraat staat vast: later zal hij zelf regisseren. De nazidreiging gooit roet in het eten. In 1937 moet de twintigjarige Jean-Pierre Grumbach, zoon van Joodse ouders, onder de wapens. Drie jaar later is hij een van de tienduizenden Franse soldaten die vanuit Duinkerke naar Engeland worden geëvacueerd. Lang blijft hij daar niet hangen. Hij keert clandestien terug naar zijn thuisland, waar hij zich aansluit bij de Forces Françaises Libres. Met die verzetsgroep is hij onder meer actief in Noord-Afrika, bij Monte Cassino en in Frankrijk. In die periode neemt hij ook zijn nom de guerre Melville aan, naar Herman Melville, auteur van Moby-Dick en vooral van Pierre: or, The Ambiguities, een boek dat de regisseur 'voor altijd getekend heeft'. Over zijn verzetsdaden blijft hij achteraf vaag, de oorlog noemt hij 'tegelijk vreselijk en fantastisch'. Want, zegt hij, een regisseur moet 'zich voortdurend openstellen om getraumatiseerd te worden'. Hij verwerkt die trauma's in drie films die zich in het bezette Frankrijk afspelen: zijn debuut Le silence de la mer (1949), een huis clos naar een kortverhaal van Jean Bruller, Léon Morin, prêtre (1961) en L'armée des ombres (1969), een ontroerende, imponerende ode aan het Franse verzet. Melville is geen man die er gras over laat groeien. Een maand na de bevrijding richt hij al zijn eigen productiemaatschappij op. Hij moet wel, want de vakbond voor technici beschouwt hem als een amateur en weigert hem een aansluitingskaart. Dat heeft ook voordelen: tot de nouvelle vague aanbreekt, zal hij zowat de enige Franse regisseur zijn die geen rekening hoeft te houden met de bemoeienissen van deze of gene studio. Melville doet zo veel mogelijk zelf: van scenario over setdesign tot kostuumontwerp. Soms spreekt hij zelfs een vertelstem in, zoals voor Bob le flambeur (1956). Ook zijn werkwijze is voor die tijd uniek: hij filmt meestal op locatie - vaak in zijn geliefde Parijs - en cast relatief onbekende acteurs. Om helemaal onafhankelijk te kunnen werken koopt hij in het begin van de jaren vijftig een leegstaand magazijn in de rue Jenner in Parijs, dat hij inricht als opnamestudio: de Studios Jenner zijn een feit. Vanaf dan laat hij zich nog maar weinig afleiden door zaken die niets met film te maken hebben. Hij wordt, om het met zijn eigen neologisme te zeggen, opocentrique - alleen zijn werk geniet zijn volle aandacht. Hij woont boven de Studios Jenner met zijn levensgezellin Florence Welsh. Kinderen hebben ze niet, wel drie katten. Vrienden in de filmwereld en daarbuiten hoeft hij niet. 'Alleen door de eenzaamheid heb ik kunnen vermijden dat ik bedrogen werd', zegt hij daar kort voor zijn dood over. Die toewijding weerspiegelt zich ook in zijn protagonisten. De onderkoelde huurmoordenaar die aan de politie probeert te ontsnappen in Le samouraï (1967), de verzetsman die de lippen stijf op elkaar houdt in L'armée des ombres, de priester die zich ondanks zijn gevoelens blijft vastklampen aan God en celibaat in Léon Morin, prêtre, de twee ijverige journalisten in Deux hommes dans Manhattan (1959): het zijn lui die tot het uiterste gaan om hun doel te bereiken. De regisseur steekt zijn oude liefde voor de VS nooit onder stoelen of banken - zie ook zijn pseudoniem. De plunjes waarin zijn personages in de straten van Parijs rondhossen - vaak met deukhoed en lange regenmantel, die ook tot zijn persoonlijke garderobe behoren - zijn allesbehalve Frans. De gangsters in Le cercle rouge (1970) rijden niet in een Citroën DS, maar in het soort Amerikaanse limousines waar hij zelf zo graag mee rondtoerde. En geheel tegen de Franse gewoonte in zijn dialogen in zijn films schaars en veelal laconiek. Toch doet Melville meer dan de noirs uit zijn jeugd na-apen. Hij heeft een eigen stijl en cinematografische visie, die zijn vaste cameraman Henri Decaë concretiseert in vaak naar het abstracte neigende beelden. In de States filmen doet hij slechts één keer, voor Deux hommes dans Manhattan. Jaren na zijn dood blijkt dat Melville de neonoir heeft uitgevonden en een nieuwe generatie Amerikaanse filmmakers met ideeën heeft bezwangerd. De vereenzaamde, moreel ambigue huurmoordenaars in Collateral (2004) van Michael Mann en Ghost Dog: Way of the Samurai (1999) van Jim Jarmusch? Geïnspireerd door Le samouraï, dat dit jaar vijftig wordt. Het idee van oeverloos kwebbelende overvallers in Reservoir Dogs (1992)? Een knipoog naar Le doulos (1963). De sympathieke gokkers/gangsters in Ocean's Eleven (2001) en tal van andere caper movies? Gestoeld op Bob le flambeur (1956). Melvilles nalatenschap omvat veel meer dan de dertien films die hij zelf heeft gemaakt. Melville had un caractère de chien en lag vaak overhoop met acteurs en medewerkers. Zijn samenwerking met schrijver Jean Cocteau, wiens Les enfants terribles Melville in 1950 verfilmt, verloopt op zijn zachtst gezegd problematisch. Dat Alain Delon de hoofdrol vertolkt in Le samouraï en niet Jean-Paul Belmondo, komt omdat regisseur en acteur op dat moment gebrouilleerd zijn. Wanneer Melville op het einde van zijn carrière de mensen opsomt die hij het dankbaarst is, noemt hij niet Delon of Belmondo - die beiden drie keer een hoofdrol in zijn films hebben gespeeld -, zelfs niet zijn trouwe cameraman Henri Decaë, wel twee decorhulpjes. Ook wraak is hem niet vreemd. Wanneer de recensenten van het toonaangevende Franse filmtijdschrift Cahiers du cinéma hem eind jaren zestig, een periode waarin het antiamerikanisme welig tiert, afvallen omdat zijn films te Amerikaans zijn, keert hij op zijn beurt de nouvelle vague de rug toe. Als lid van de Franse censuurcommissie wil hij zelfs de filmsubsidies afschaffen. Hij heeft het destijds tenslotte ook in zijn eentje moeten rooien. Jean-Pierre Melville stierf, net als zijn vader en grootvader, op zijn vijfenvijftigste aan een hartaanval. Hij was aan het lunchen met een Franse journalist. De kans is groot dat ze het over Amerikaanse films hadden.