Wanneer Christian Stern eind 1599 Praag binnenrijdt, is het eerste wat hij op zijn weg vindt een lijk. De hals is van oor tot oor doorgesneden waardoor deze Magdalena Kroll een tweede, wreed lachende mond lijkt te hebben. Stern is de 25-jarige bastaard van de bisschop van Regensburg, maar het is niet zijn twijfelachtige afkomst die hem bij keizer Rudolf II in de kijker doet lopen. Nee, de keizer gelooft in de voorspellende kracht van dromen en laat hij nu net een paar nachten eerder gedroomd hebben dat er een ster uit het Westen zou komen die de overwinning op de perfide Turk zou aankondigen. Wie kan dat anders zijn dan deze Stern? Magdalena was ...

Wanneer Christian Stern eind 1599 Praag binnenrijdt, is het eerste wat hij op zijn weg vindt een lijk. De hals is van oor tot oor doorgesneden waardoor deze Magdalena Kroll een tweede, wreed lachende mond lijkt te hebben. Stern is de 25-jarige bastaard van de bisschop van Regensburg, maar het is niet zijn twijfelachtige afkomst die hem bij keizer Rudolf II in de kijker doet lopen. Nee, de keizer gelooft in de voorspellende kracht van dromen en laat hij nu net een paar nachten eerder gedroomd hebben dat er een ster uit het Westen zou komen die de overwinning op de perfide Turk zou aankondigen. Wie kan dat anders zijn dan deze Stern? Magdalena was niet alleen de dochter van Rudolfs lijfarts, maar ook de minnares van de keizer, die van Stern verwacht dat hij hem de moordenaar op een presenteerblaadje brengt. Al gauw ontdekt Stern dat het hof een wespennest is. Rudolf jaagt zowat iedereen met wie hij in contact komt tegen zich in het harnas. Niet alleen onderhoudt hij een Kruittoren vol alchemisten die voor hem op zoek zijn naar de Steen der Wijzen, wat heel wat kwaad bloed zet bij de rationalisten aan het hof, zijn ideaal van godsdienstvrijheid klinkt katholieken én protestanten als een vloek in de oren. Premier Wenzel ziet Rudolf liefst zo snel mogelijk verdwijnen, kamerheer Lang wil hem net houden waar hij zit. Rudolfs broer Matthias zou ook wel keizer willen worden, net als diens neef Ferdinand. Iedereen liever dan de zwakzinnige kroonprins Don Giulio, denkt zowat iedereen, inclusief de schimmige dwerg Jeppe Schenkel, die van tijd tot tijd door het beeld loopt. Stern vult zijn slapeloze nachten met piekeren over hun beweegredenen en zijn liefdesdronken middagen met Caterina Sardo, de concubine van de keizer. Tussendoor, wanneer hij even tijd heeft, daagt het besef dat hij partij zal moeten kiezen, of dat anderen die keuze in zijn plaats zullen maken. Benjamin Black, de nom de plume die John Banville hanteert voor misdaadromans, begeeft zich in Praagse nachten op bekend en geliefd terrein. Hij schreef eerder al een literaire reisgids van Praag, hij heeft iets met het intellectuele klimaat, met de opkomende astronomie van het Praag van rond 1600 en in het begin van zijn carrière schreef Banville romans waarin Copernicus, Kepler en Newton de hoofdrol speelden (gebundeld als Omwentelingen). In Praagse nachten gaat Stern een avondje met Kepler slempen en hij ontlokt zijn rationele geestesgenoot de uitspraak dat hij ooit de innerlijke werking van het universum zal ontdekken, wat hij een paar decennia later natuurlijk ook deed, toen hij stelde dat de planeten niet in cirkels rond de zon draaien, maar in ellipsen, een ontdekking die misschien nog belangrijker is dan Copernicus' heliocentrisme. In dat soort scènes is Black op zijn best. Misdaadschrijvers maken het zichzelf nogal eens makkelijk: misdaad beschrijven, misdaad oplossen en klaar. Benjamin Black past zijn moordpartij in een politieke, artistieke en filosofische realiteit. Praagse nachten is daardoor een rijke, fascinerende maar gelukkig ook humoristische en zelfrelativerende roman geworden.