'Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt ze wel', placht een kijvende oma vroeger te zeggen terwijl we de gestolen toffee in onze monden probeerden te verbergen. Net als spreekwoorden is de waarheid oubollig geworden. Het overaanbod aan fake news haalt het met gemak van onderzoeksjournalistiek, factcheckers kampen met burn-outs en politieke leugencampagnes leveren nu eenmaal meer kiezers op dan moeilijke waarheden. De leugen zegeviert. En iedereen bezondigt zich eraan.
...

'Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt ze wel', placht een kijvende oma vroeger te zeggen terwijl we de gestolen toffee in onze monden probeerden te verbergen. Net als spreekwoorden is de waarheid oubollig geworden. Het overaanbod aan fake news haalt het met gemak van onderzoeksjournalistiek, factcheckers kampen met burn-outs en politieke leugencampagnes leveren nu eenmaal meer kiezers op dan moeilijke waarheden. De leugen zegeviert. En iedereen bezondigt zich eraan. Althans, dat lijkt de Israëlische schrijfster Ayelet Gundar-Goshen te betogen in haar jongste roman Leugenaar. Daarin beweert de zeventienjarige Noefar dat ze op een afgelegen koertje achter een ijssalon aangerand werd door een populaire zanger. De waarheid is anders: uit wraak voor zijn hufterige gedrag wrijft ze hem handtastelijkheden aan en als de mallemolen van het gerecht en de media eenmaal is beginnen te draaien, durft ze niet meer terug. Ze wordt op de praalwagen van MeToo gehesen, en als in een sprookje van lelijk eendje in nationale heldin getransformeerd. Dat een onschuldige man een gevangenisstraf boven het hoofd hangt, vervult haar met de nodige wroeging, maar de populariteit smaakt zoet. Bovendien, wat als ze nu nog haar verklaring wijzigt? Noefar is niet de enige die met gespleten tong spreekt. Haar buurjongetje veinst uit angst voor zijn tirannieke vader interesse voor een militaire carrière en een oude vrouw neemt de identiteit van een overleden kampslachtoffer over om de nagedachtenis aan de Shoah levend te houden. Iedereen probeert zichzelf ervan te overtuigen dat het slechts witte leugentjes zijn, en dat sommige onwaarheden zelfs het staatsbelang dienen. Zo moet een soldaat op rust toezien hoe zijn lafheid wordt omgeturnd tot een heldendaad, puur om het Israëlische imago op te blinken. Zelfs een politiecommandant stuurt liever een onschuldige naar de cel dan een publieke blamage te moeten slikken. Gundar-Goshen verkneukelt zich in haar lafhartige personages en staat mild cynisch toe dat de meesten straffeloos wegraken met hun gejok. In de leugen passeert ze langs alle lagen van de Israëlische maatschappij en kijkt ze toe hoe gretig de (sociale) media roddels verspreiden zonder na te denken over waarheidsgehalte en de vaak desastreuze gevolgen van laster. Eindigen doet ze met een vileine parabel over hoe aangespoelde biggetjes een staatsondermijnende hysterie veroorzaken, waarmee ze haar knappe roman nog eens netjes samenvat.