Hij mag van geluk spreken dat zijn huis er nog staat. Tijdens de afwezigheid van het naamloze hoofdpersonage heeft de buurman goed voor diens huis gezorgd, al zegt hij het zelf, want kijk, de rest van de straat ligt in puin. Akkoord, die kogelgaten zijn je een doorn in het oog en de plunderaars kon hij niet tegenhouden, maar het hoofdpersonage heeft toch nog een dak boven zijn hoofd en de buurvrouw zal hem straks een kom soep brengen. Daar zal hij van opkikkeren. Voor je het weet, is alles weer heropgebouwd.We gaan een mooie toekomst tegemoet.
...

Hij mag van geluk spreken dat zijn huis er nog staat. Tijdens de afwezigheid van het naamloze hoofdpersonage heeft de buurman goed voor diens huis gezorgd, al zegt hij het zelf, want kijk, de rest van de straat ligt in puin. Akkoord, die kogelgaten zijn je een doorn in het oog en de plunderaars kon hij niet tegenhouden, maar het hoofdpersonage heeft toch nog een dak boven zijn hoofd en de buurvrouw zal hem straks een kom soep brengen. Daar zal hij van opkikkeren. Voor je het weet, is alles weer heropgebouwd.We gaan een mooie toekomst tegemoet. Zelf wil het hoofdpersonage liever geen mensen meer zien. Hij wil hun namen niet kennen, hij heeft genoeg aan zijn eigen hoofd en de spoken die daarin ronddwalen. Jarenlang zal hij zich op zijn kamer verschansen, slapend op een gescheurde matras, turend door een telescoop die naar de hemel is gericht maar niets onthult - hij weet al lang dat daar geen God woont. Het kan hem ook niets schelen dat de buurman zijn huis bevolkt met verzetsstrijders die aan de lopende band anticommunistische pamfletten drukken. Vaagweg begrijpt hij dat hij in Boedapest woont en dat er een opstand op til is - de Hongaarse Opstand van 1956. Ze doen maar. Hun verzet is enkel een recept voor meer bloed en dood. 1956? Is het al zo lang geleden dat hij Kanada is ontvlucht? Niet het land van graan en ahorn, maar de barak waar bezittingen werden geteld. Waar piramides van schoenen en boeken werden gebouwd. Waar gouden tanden gewogen werden. Waar de geur van verbrand mensenvlees dagelijks zijn neusvleugels prikkelde. Waar hij kapo's te vriend hield door hen diamanten toe te stoppen. 'Dit is het kamp: een uiterste waarachter niets meer is.' Juan Gómez Bárcena vat de Holocaust in één zin samen: ook de overlevers zijn besmet door de vernietiging. Daarom is het hoofdpersonage van zijn roman naamloos. Hij is een alleman die rondscharrelt op de menselijke puinhoop, een mens die aan diggelen ligt en de scherven telt. Een man die enkel nog uit een gedeukt oog bestaat en de absurde wereld overschouwt: 'De mens is tenslotte lachwekkend, en een grap is het heldere moment waarop je dat ineens inziet.' Kanada eist een zuinig leestempo. Niet alleen vanwege de gruwel, maar ook omdat je elke taalmorzel ten volle moet savoureren. Iedere gebalde alinea bevat wel een prachtzin of een observatie die even je bloed doet stollen en Gómez Bárcena koestert weinig hoop voor onze diersoort: 'Elk nieuw fundament is een verwoesting die nog moet komen, elke boom groeit om uiteengereten te worden.' Je zou denken dat er onderhand voldoende Holocaustromans zijn geschreven maar nu complotdenkers zichzelf met gele sterren tooien om hun 'vrijheid' op te eisen, blijkt nog maar eens hoe noodzakelijk boeken als Kanada zijn.