Mijmerend flaneert een oude man door de ochtendlijke straten van Triëst, de Italiaanse kuststad die door de eeuwen heen een paar keer van landeigenaar wisselde. De man hoeft zich niet te haasten, hij is al lang met pensioen en kan rijkelijk rentenieren, maar toch spoedt hij zich naar het laatste gebouw waar hij eigenaar van is. De rest van zijn zakenimperium heeft hij verkocht en na een leven vol zware beslissingen voelt hij zich met de dag lichter worden. Zijn jonge leven is als een maatpak dat hij finaal in de kast heeft gehangen. Terwijl hij door de labyrintische steegjes wandelt, mijdt hij wel de zee...

Mijmerend flaneert een oude man door de ochtendlijke straten van Triëst, de Italiaanse kuststad die door de eeuwen heen een paar keer van landeigenaar wisselde. De man hoeft zich niet te haasten, hij is al lang met pensioen en kan rijkelijk rentenieren, maar toch spoedt hij zich naar het laatste gebouw waar hij eigenaar van is. De rest van zijn zakenimperium heeft hij verkocht en na een leven vol zware beslissingen voelt hij zich met de dag lichter worden. Zijn jonge leven is als een maatpak dat hij finaal in de kast heeft gehangen. Terwijl hij door de labyrintische steegjes wandelt, mijdt hij wel de zee. Te weids, te groots, te uitdagend - de zee bevat mogelijkheden die enkel voor jonge mensen zijn weggelegd. Hem rest enkel nog die ene dagtaak, die ene laatste job waar hij stiekem voor solliciteerde, zonder medeweten van zijn kinderen. Het is zijn kleine geheim, zijn laatste steen die hij op aarde zal verleggen. In zijn openingsverhaal De portier zet de Italiaanse grootmeester Claudio Magris meteen de melancholische toon die door zijn nieuwe verhalenbundel blijft sluimeren. Trage, bedachtzame verhalen die het niet moeten hebben van plot en vaak wat flou overkomen maar bij een herlezing wel openbloeien. Ook bij Magris woont de duivel namelijk in de details. In het verhaal Muzieklessen zit de clou zelfs verscholen in een bijzinnetje. Wie daar gehaast overheen leest, zal het spiegeleffect in de tijd niet opmerken. Tijd, zee en Triëst zijn de ijkpunten in deze fijnzinnige bundel en Magris plaatst het titelverhaal slim in het midden. Daarin wordt een bedaagde schrijver aangesproken door een disgenote: of hij Nori nog gehoord heeft de laatste tijd, dat meisje met wie hij op school zat? Hij herinnert zich Nori zeker. Ze was bloedmooi, zo mooi dat hij haar nooit heeft durven aan te spreken, dus verbaast het hem dat Nori niet over hem kan zwijgen. Het zal een vergissing zijn. Maar wanneer een oude klasmakker hem opnieuw de groeten van Nori overmaakt, begint hij te twijfelen. Hebben ze niet ooit een kortstondige affaire gehad, ergens een verdwaalde kus gedeeld? De schrijver besluit Nori op te bellen, een telefoontje dat verwarring in zijn geest sticht en hem toont hoe flexibel de tijd kan zijn. 'Wanneer is het dus nu? Altijd is soms maar een seconde, zegt het Witte Konijn tegen Alice', bedenkt hij en hij verdwijnt aan de zijde van Nori in een wonderland. Laat je niet bedotten door de anekdotiek. Het alledaagse lokt bij Magris grote vragen uit, en wie zich het leestempo van een grijsaard aanmeet zal prachtige gedachten en zinnen cadeau krijgen. Een pareltje.