Alles begint met Edith, de kersverse moeder die wordt opgenomen in de psychiatrische afdeling van Bethlem Royal Hospital. Hoewel de bevalling perfect is verlopen en Edith geen psychiatrische voorgeschiedenis heeft, is ze ervan overtuigd dat haar baby bij de geboorte verwisseld is - haar echte kind ligt volgens haar in een ondiep graf te rotten. Edith wantrouwt iedereen, haar man is een dubbelganger en op haar schouder zit een duivel in haar oor te fezelen.
...

Alles begint met Edith, de kersverse moeder die wordt opgenomen in de psychiatrische afdeling van Bethlem Royal Hospital. Hoewel de bevalling perfect is verlopen en Edith geen psychiatrische voorgeschiedenis heeft, is ze ervan overtuigd dat haar baby bij de geboorte verwisseld is - haar echte kind ligt volgens haar in een ondiep graf te rotten. Edith wantrouwt iedereen, haar man is een dubbelganger en op haar schouder zit een duivel in haar oor te fezelen. Psychiater Veronica O'Keane schrijft haar antipsychotica voor en een paar weken later sluit Edith haar kind weer in de armen. In de volggesprekken blijkt echter dat Edith gekweld wordt door de herinneringen aan de psychose: ze wéét dat het niet echt was, dat de hormonen haar brein verknoeiden, maar telkens als ze aan de episode terugdenkt, voelt ze zich angstig. Het zet O'Keane aan het denken: blijkbaar kun je het menselijk geheugen niet zomaar wissen of overschrijven. In De geheugenfabriek gaat O'Keane op zoek naar de zetel van onze herinneringen. Haarfijn legt ze uit hoe zintuiglijke prikkels worden omgezet in neurologische verbindingen. Puttend uit wetenschappelijke studies én de wereldliteratuur - onder meer Marcel Proust, Samuel Beckett en Virginia Woolf - verklaart ze waarom onze geur zo'n belangrijke rol speelt en hoe het komt dat onze herinneringen vaak met het werkelijke verleden botsen. Als dat werkelijke verleden al bestaat. O'Keane betoogt namelijk dat wij ons brein zijn en dat de waargenomen wereld enkel in ons hoofd wordt geschapen. Dat verklaart waarom Edith haar psychose als écht ervoer. Alles is dus vlees en O'Keane bekampt vurig het idee van dualisme, de scheiding tussen lichaam en geest. Dat heeft gevolgen voor haar betoog. Logischerwijs is elk trauma, elk verdriet dan een vorm van littekenweefsel dat enkel met medicatie geheeld kan worden. O'Keane verwerpt verbale therapie niet volledig maar verkiest toch de farmacologische oplossing - bijna al haar voorbeelden eindigen met een lofrede aan benzo's à la clonazepam. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ze Freud wegzet als een charlatan, een vrouwenhater en een goedprater van pedofilie - voor O'Keane zijn termen als het elektracomplex en penisnijd pure lulkoek die enkel dienen om misbruikte meisjes het zwijgen op te leggen. Daar wringt De geheugenfabriek een beetje. Enerzijds legt O'Keane bevattelijk uit hoe ons brein herinneringen verwerkt, anderzijds leest haar betoog vaak als een wraakmissie. O'Keane mist ook de blinde vlek in haar redenering: als wij ons brein zijn, dreigt de valkuil van solipsisme. Dan is de werkelijkheid slechts een verzinsel en leven we opgesloten in onze schedel. Dergelijk waanbeeld zou O'Keane ironisch genoeg definiëren als een psychose.