Elf jaar, van 1947 tot 1958, heeft de Duits-Joodse schrijver Edgar Hilsenrath (°1926) aan zijn grote roman Nacht gewerkt. De eerste bladzijden schreef hij neer in een bistro in Lyon, waar hij in 1947 zijn ouders en broer terugvond nadat de Tweede Wereldoorlog het gezin uit elkaar had geslagen. Zijn vader had hij al tien jaar niet meer gezien. Inmiddels had Hilsenrath drie jaar in Palestina gewoond, maar het leven in de kibboets was hem niet goed bekomen. De Duitse taal, waarvan de schrijver zoveel houdt, was er taboe en het land stond onder toezicht van een Britse kolonisator die de immigratie van de overlevenden van de Holocaust met alle middelen probeerde te verhinderen. Hoe had hij daar de schrijver kunnen worden die hij wou zijn?
...

Elf jaar, van 1947 tot 1958, heeft de Duits-Joodse schrijver Edgar Hilsenrath (°1926) aan zijn grote roman Nacht gewerkt. De eerste bladzijden schreef hij neer in een bistro in Lyon, waar hij in 1947 zijn ouders en broer terugvond nadat de Tweede Wereldoorlog het gezin uit elkaar had geslagen. Zijn vader had hij al tien jaar niet meer gezien. Inmiddels had Hilsenrath drie jaar in Palestina gewoond, maar het leven in de kibboets was hem niet goed bekomen. De Duitse taal, waarvan de schrijver zoveel houdt, was er taboe en het land stond onder toezicht van een Britse kolonisator die de immigratie van de overlevenden van de Holocaust met alle middelen probeerde te verhinderen. Hoe had hij daar de schrijver kunnen worden die hij wou zijn? In Nacht had Hilsenrath een romaneske inventaris gemaakt van de taferelen die in het getto op zijn netvlies waren gebrand. Hij was vijftien jaar toen hij samen met zijn moeder en zijn broer uit het stadje Seret (in de Boekowina, een regio die vandaag half in Roemenië, half in Oekraïne ligt) werd gedeporteerd. Zowat drie jaar, van 1941 tot 1944, bracht hij door in het getto van het stadje Moghilev-Podolsk in Trans-Nistrië, het land aan de overkant van de Dnjester dat destijds onder Roemeens bestuur stond. Hilsenrath beleefde in het getto het ondraaglijke lijden en sterven dat hij in zijn debuutroman zo onverbloemd zou beschrijven: in het getto waren 50.000 Joden onder onmenselijke omstandigheden opgesloten. Slechts 10.000 zouden het overleven. In Nacht verhaalt Hilsenrath hoe mannen, vrouwen en kinderen in het getto verhongeren, bevriezen en creperen aan besmettelijke ziekten; hoe ze bij vluchtpogingen door Roemeense soldaten en hun Oekraïense handlangers worden doodgeschoten of om futiele redenen worden opgeknoopt of doodgeslagen. Niets is verfraaid in Nacht. In deze hypernaturalistische kroniek van het sterven, van het fysieke en morele verval, staat ook hoe de Joden van Prokow (want zo heet het stadje in de roman) elkaar wel naar het leven moeten staan als ze willen overleven. Nog voor ze doodgaan, worden de stervende Joden door de overlevenden geplunderd. Zij die gaan sterven hebben hun schoenen, vesten, truien en gouden tanden immers niet meer nodig. De lezer wordt het getto - een van de wereld afgesneden, schrale autarkie - ingezogen en wordt geconfronteerd met de groteske beelden die in de latere romans van Hilsenrath zullen gaan woekeren. Uit een vuilnisemmer steekt het hoofd van een dode vrouw. Een kind, dat naar een nat pak op de grond wijst, vraagt zich af of dit zijn vader is. Iemand speelt met het haar van een dode vrouw die uit het raam is gegooid. Soms zouden de inwoners van het getto elkaar tot moes willen slaan, maar dat kunnen ze niet, omdat ze er te zwak voor zijn. Inmiddels is de schrijver niet onbemiddeld meer. Maar er is geen zweem van luxe in zijn kleine flat in de Poschingerstrasse in de rustige gemeente Steglitz in Berlijn, waar we hem ontmoeten. HILSENRATH: ' Nacht is op mijn ervaringen in het getto gebaseerd. Maar het verhaal is niettemin ook een verzinsel, een roman. Het nachtasiel dat ik erin beschrijf, heeft nooit bestaan, de naam van het plaatsje Prokow is fictief, de personages zijn verzonnen. Maar de toestanden die ik schilder, hebben zich in het getto werkelijk voorgedaan. De vervolgingen, de razzia's, de honger, het is allemaal echt gebeurd. Toch zou ik niet durven te beweren dat Nacht een autobiografische roman is, ook heb ik mijn leven als grondstof gebruikt. Het meest autobiografische boek dat ik geschreven heb, is Fuck Amerika, een roman die door mijn Amerikaanse ervaringen is geïnspireerd. 'We hebben kunnen overleven omdat we in het kamp over goede relaties beschikten. Mijn moeder, mijn broer en ik werden ondergebracht in een school en hadden daardoor tenminste een dak boven ons hoofd. Tijdens de deportatie hadden we nog wat spullen kunnen redden. Daarmee waren we een clandestien handeltje begonnen. We hadden contact met Oekraïense boeren en ruilden onze bezittingen voor levensmiddelen. Zelf werd ik tewerkgesteld in een metaalfabriek die door een Joodse ingenieur werd geleid. Ik kreeg een werkpasje, noem het maar een overlevingspasje, voor het hele gezin. Dankzij dat pasje konden we in Moghilev-Podolsk blijven. Daardoor werden we behoed voor transport naar andere kampen, waar de overlevingskansen nog kleiner waren. In maart 1944 werden we door Sovjettroepen uit het getto bevrijd. 'Ik heb jaren met het schrijven van Nacht geworsteld. Ik begon aan de roman toen ik in 1947 via Palestina naar Lyon was gekomen, waar mijn ouders woonden. Ik herinner me dat ik destijds aan vreselijke depressies leed. Daar ben ik van afgeraakt toen ik een bistro binnenstapte, bij de kelner een glas wijn, een potlood en wat papier bestelde en het eerste hoofdstuk van Nacht neerschreef. Het ging op slag beter met me. Ik voelde me niet langer zenuwziek en bovendien kreeg ik mijn potentie terug, die ik tijdelijk kwijt was geweest. 'Het was de eerste keer dat ik me echt een schrijver voelde, al had ik op mijn veertiende al De witte neger geschreven, een onvoltooide roman over rassenvooroordelen. Hij is verloren gegaan. Mijn moeder bewaarde het manuscript in een koffer die haar door dieven afhandig werd gemaakt toen ze na de bevrijding uit het getto naar het Westen trok. Edgar Hilsenrath voltooit Nacht in 1958 in New York, waar hij zich in 1951 gevestigd had en waar hij tot 1975 zou blijven wonen. Hij blijft maar aan de tekst van Nacht vijlen. Overdag zorgt hij voor zijn levensonderhoud, al probeert hij zijn jobs als kelner of koerier tot het minimum te beperken. 's Nachts zit hij in zijn gemeubelde kamer in Westend Avenue in Manhattan gebogen over zijn tweedehandse Groma, de schrijfmachine die in zijn Berlijnse woning nog altijd op zijn zelfgemaakte schrijftafel staat en waarop hij al zijn handgeschreven romans in het net heeft overgetikt. Het duurt nog eens zes jaar voor Hilsenrath door bemiddeling van een redacteur van de New Yorker Staats-Zeitung und Herold een Duitse uitgever vindt voor zijn boek. In de herfst van 1964 verschijnt Nacht in een oplage van 700 stuks bij uitgeverij Kindler in München. Hoewel de eerste druk al in april 1965 is uitgeput, wordt de roman niet herdrukt. HILSENRATH: 'Hoe paradoxaal het ook lijkt: Helmut Kindler, de uitgever, stond helemaal achter het boek, maar de uitgeverij zelf boycotte de roman via Nina Raven, de echtgenote van de uitgever. Ze vond Nacht een antisemitisch boek, waarin de Joden in een slecht daglicht werden geplaatst. In de romans die destijds in Duitsland verschenen, mochten alleen edele en mooie Joden voorkomen en er mocht geen onvertogen woord over de Joden gezegd worden. Er werd niet de minste reclame voor het boek gemaakt. Geen wonder dat mijn roman destijds gewoon verzopen is. De tijd was er niet rijp voor. Er heerste een geforceerde sfeer van filosemitisme, wat ikzelf altijd als een hypocriete vorm van antisemitisme heb beschouwd. 'Ik weet ook wel dat de Joden die in Nacht voor hun leven vechten geen heiligen zijn, maar je mag niet vergeten dat die Joden arme en uitgehongerde mensen waren die geen andere keuze hadden. Ze hadden niet zelf voor het getto gekozen. Ze waren door hun beulen gedwongen om erin te leven. Maar het klopt dat de ware schuldigen, de Roemeense en de Duitse fascisten, maar zelden voor het daglicht treden in Nacht. Het inferno is nochtans hún creatie, want de fascisten hebben de voorwaarden voor dit perverse experiment geschapen, maar het leven in het getto lijkt op den duur haast zonder deelname van de daders te functioneren: de dagen in het getto verliepen haast mechanisch-monotoon.' In 1966 verschijnt Nacht ook bij de grote Amerikaanse uitgeverij Doubleday & Company onder de titel Night. Het boek is een succes. De uitgever vraagt Hilsenrath naar andere romanprojecten, wat de schrijver doet grijpen naar een krantenknipsel dat hij jaren daarvoor van een Duitse emigrant gekregen had. Het artikel kwam uit The Jewish Echo van oktober 1948 en ging over Erich Hohn, een Gestapoman die na de oorlog zijn naam in Julius Israel Holms had veranderd en zichzelf uitgaf als Joods slachtoffer van een Duits concentratiekamp. Voor hij ontmaskerd werd, had Hohn/Holms zich zelfs laten verkiezen tot vicevoorzitter van een gezelschap dat vervolgden van het naziregime verenigde. Die anekdote van een Duitse dader die de identiteit van een Joods slachtoffer had aangenomen, lag aan de basis van de groteske roman De nazi en de kapper. De uitgever was enthousiast over het concept. Hilsenrath schreef zijn nieuwe roman in één geut. Het boek verscheen in de lente van 1971 in een Engelse vertaling onder de titel The Nazi and the Barber. Het verhaal gaat over de Duitse massamoordenaar Max Schulz die de identiteit heeft aangenomen van de Joodse kapperszoon Itzik Finkelstein, die zelf het voorkomen van een blonde Ariër heeft. HILSENRATH: 'In De nazi en de kapper heb ik ook mijn schoolervaringen in Halle an der Saale in de jaren dertig verwerkt. Onze school was een nazischool. Ik was er het enige Joodse kind. Eerst wist niemand dat ik Joods was, want ik had blond haar en blauwe ogen.''Maar op een dag kwamen ze erachter en toen begonnen de pesterijen van leerlingen en leraren. Een leraar tekende een varken op het bord en vroeg me wat de tekening voorstelde. "Een varken", antwoordde ik. "Nee," zei de leraar, "dat is een Jood."''Daarna vroeg hij me: "Weet je waarom de Joden geen varkensvlees eten?" Ik zei dat ik het niet wist. "Omdat een varken zijn soortgenoten niet opeet", antwoordde hij. Toen ik protesteerde, pakte hij zijn zweepje en bewerkte daarmee mijn achterwerk. Mijn klasgenoten lachten me uit. Elk voorwendsel was goed genoeg om me een rammeling te geven. Ik had zelfs de gewoonte aangenomen om het obligate dagelijkse pak slaag in mijn lesrooster te integreren: 'godsdienst, Duits, rekenen, lezen, turnen, slaag'. Maar Hilsenrath verwerkte in De nazi en de kapper ook de oorlogsjaren, de kampen en de massamoorden die de nazi's hadden aangericht. De SS'er Max Schulz, die zijn oude Joodse vriend Itzik Finkelstein en diens ouders vermoordde, nam deel aan de slachtpartij. Ongeveer 10.000 Joden heeft Schulz eigenhandig neergeknald. Een doos met gouden Joodse tanden die Schulz meepikte uit het kamp waar hij dood en vernieling zaaide, is de wissel die de Duitse killer op de toekomst neemt. HILSENRATH: 'Toen ik eraan begon, was het me meteen duidelijk dat ik De nazi en de kapper alleen als satire kon schrijven. Een roman over een Duitse massamoordenaar die een Jood wordt, is op zich al grotesk. Nacht vertolkte het standpunt van de slachtoffers, maar De nazi en de kapper wordt verteld vanuit het perspectief van de daders. Als de wereld zelf een bloedige groteske wordt, wordt de literaire groteske niets anders dan een realistische imitatie van de realiteit. Satire is een uitstekend middel om de werkelijkheid en de waarheid uit te drukken. Soms voelt de lezer een lach opkomen, maar die blijft altijd in zijn keel steken. 'Ik ben zonder meer de eerste schrijver die vanuit het perspectief van de daders schreef, en níét Jonathan Littell, zoals nu zo vaak wordt beweerd. Ik heb Les Bienveillantes gelezen. Dat is geen roman. Voor mij is het een uitstekend gedocumenteerde, maar uit de hand gelopen reportage die niet eens zo goed geschreven is. Littells boek is veel te dik, de helft kan eruit. Ik heb het eigenlijk niet graag gelezen. Alleen de laatste hoofdstukken, waarin het zielenleven van de massamoordenaar aan bod komt, vind ik literair wel heel geslaagd. Maar ik zou dat boek nooit uitgelezen hebben als men er niet zo op aangedrongen had om er mijn mening over te geven.' Piet De Moor