Elf jaar, van 1947 tot 1958, heeft de Duits-Joodse schrijver Edgar Hilsenrath (°1926) aan zijn grote roman Nacht gewerkt. De eerste bladzijden schreef hij neer in een bistro in Lyon, waar hij in 1947 zijn ouders en broer terugvond nadat de Tweede Wereldoorlog het gezin uit elkaar had geslagen. Zijn vader had hij al tien jaar niet meer gezien. Inmiddels had Hilsenrath drie jaar in Palestina gewoond, maar het leven in de kibboets was hem niet goed bekomen. De Duitse taal, waarvan de schrijver zoveel houdt, was er taboe en het land stond onder toezicht van een Britse kolonisator die de immigratie van de overlevenden van de Holocaust met alle middelen probeerde te verhinderen. Hoe had hij daar de schrijver kunnen worden die hij wou zijn?
...