Veel intiemer dan dagboeken krijg je literatuur niet. Je houdt ze niet bij met het oogmerk op publicatie en meestal is dat niet eens wenselijk: wie oude dagboeken herleest, fronst vaak de wenkbrauwen bij zoveel banaliteit en beschamende pathetiek. Daar is David Sedaris zich van bewust. In zijn inleiding geeft hij grif toe dat hij duchtig gesnoeid heeft in zijn schrijfsels en dat hij tijdens het herwerken dikwijls hardop vloekte op zijn oude zelf: 'Wie kan die pochet wat verdommen!'
...

Veel intiemer dan dagboeken krijg je literatuur niet. Je houdt ze niet bij met het oogmerk op publicatie en meestal is dat niet eens wenselijk: wie oude dagboeken herleest, fronst vaak de wenkbrauwen bij zoveel banaliteit en beschamende pathetiek. Daar is David Sedaris zich van bewust. In zijn inleiding geeft hij grif toe dat hij duchtig gesnoeid heeft in zijn schrijfsels en dat hij tijdens het herwerken dikwijls hardop vloekte op zijn oude zelf: 'Wie kan die pochet wat verdommen!' Te veel schrappen en herwerken kan natuurlijk ook niet, want dan ga je aan de essentie van eerlijkheid en zelfonderzoek voorbij. De vervelende alledaagsheid van dingen - boodschappenlijstjes, recepten, oeverloze telefoongesprekken - moet je er als lezer dus bij nemen, maar Sedaris beloont je wel met zijn laconieke humor. Niet vanzelfsprekend als je ziet hoe het hem in zijn begindagen vergaat. Sedaris, ondertussen zestig, kampt als twintiger met chronisch geldgebrek, zit in de knoop met zijn homoseksualiteit en flirt met een drugsverslaving. Noodgedwongen woont hij in achterbuurten waar al dan niet verbaal geweld dagelijkse kost is: Sedaris wordt onthutsend vaak uitgescholden, bespuwd en geslagen. Hij houdt zich staande in die ruwe wereld en hobbelt van het ene klusje naar het andere om de huur bijeen te schrapen. Dat levert grappige observaties op, maar af en toe schrik je ook op. Op 3 juli 1981 schrijft hij: 'Er is een nieuwe kankervorm die alleen homoseksuele mannen treft. Ik hoorde er vanavond over op de radio.' Hoewel hij het zelf aanvankelijk niet doorheeft - typisch aan dagboeken: een té eng perspectief - verbetert zijn situatie met de jaren. Hij studeert af, verhuist van Chicago naar New York, vindt in Hugh een geliefde, mag aantreden in radioprogramma's en ziet zijn essays verschijnen in literaire bladen. Namen als Tobias Wolff, Russell Banks en Cy Twombly duiken op. Sedaris wantrouwt zijn kleine succesjes: de angst om in armoede te hervallen zit er diep in en Hugh moet hem soms met harde hand van de narcotica wegleiden. Nu hij wereldroem heeft vergaard en enkele bestsellers op zijn naam heeft staan, zou je het dagboek kunnen lezen als een lofrede op het optimisme, op de haalbaarheid van de Amerikaanse droom, maar zo naïef is Sedaris niet. Hij beseft terdege dat hij veel geluk heeft gehad. Bijna liefdevol beschrijft hij de stoet bedelaars en junkies die wel in het slop zijn blijven zitten, en net daarin schuilt de grote kracht van dit dagboek: met zijn kleine anekdotes vol gortdroge humor schenkt hij al die stumperds een stem, en vrijwaart hij hen van de vergetelheid.