'In Appenzell ontkom je niet aan wandelen. Als je de kleine witomlijste ramen bekijkt en de nijvere, stralende bloemen op de vensterbanken, ontwaar je een tropische stilstand, een getemd woekeren, en krijg je het gevoel dat er zich binnenshuis koel-sombere en enigszins ziekelijke dingen afspelen.' Ja, Appenzell, bekend van zijn kaas en zo ongeveer het laatste plekje in Europa waar vrouwen stemrecht kregen. Je gaat er niet naartoe om met een lading frisse ideeën weer huiswaarts te keren. Dat Fleur Jaeggy haar roman De gelukzalige jaren van tucht, oorspronkelijk verschenen in 1989, in Appenzell laat spelen schept dus verwachtingen.
...

'In Appenzell ontkom je niet aan wandelen. Als je de kleine witomlijste ramen bekijkt en de nijvere, stralende bloemen op de vensterbanken, ontwaar je een tropische stilstand, een getemd woekeren, en krijg je het gevoel dat er zich binnenshuis koel-sombere en enigszins ziekelijke dingen afspelen.' Ja, Appenzell, bekend van zijn kaas en zo ongeveer het laatste plekje in Europa waar vrouwen stemrecht kregen. Je gaat er niet naartoe om met een lading frisse ideeën weer huiswaarts te keren. Dat Fleur Jaeggy haar roman De gelukzalige jaren van tucht, oorspronkelijk verschenen in 1989, in Appenzell laat spelen schept dus verwachtingen. In het boek denkt een anonieme vertelster terug aan haar kostschooljaren in het Bausler Instituut. Of eerder aan dat ene jaar niet lang na het einde van WO II dat haar leven zou veranderen, toen ze veertien was. Net zoals het hoofdpersonage uit Jaeggy's een paar jaar geleden vertaalde en onder het lof bedolven SS Prolterka heeft het meisje een rijke, maar ook verwaarlozende achtergrond. Haar vader is constant op reis, en van haar moeder ontvangt ze af en toe een brief, uit Brazilië. Maar in feite geldt dat voor alle meisjes in het instituut. Hun ouders hebben betere dingen te doen dan hun kinderen opvoeden. Dat laten ze liever over aan mevrouw Hofstetter, de directrice, en haar ooit ambitieuze, maar inmiddels uitgerangeerde man, die de meisjes in de kostschool verbitterd gadeslaat, omdat hun leven nog moet beginnen en het zijne in feite al lang voorbij is. Alleen voor het ziekelijke dochtertje van een Afrikaanse president voelt hij enige affectie. Maar dan komt er een nieuw meisje, Frédérique, dochter van een bankier uit Genève, voor wie de vertelster als een blok valt. Waarom weet ze in feite niet. Over frivoliteiten sprak ze nooit en op diepzinnige gedachten was ze evenmin te betrappen. Het leek wel alsof Frédérique nooit echt aanwezig was, en in haar afwezigheid ongenaakbaar. Ze hield van orde, terwijl de vertelster sympathiseerde met meisjes die van de hoogste verdieping van de kostschool naar beneden sprongen, gewoon om iets onordelijks te doen. Tot een omhelzing kwam het nooit tussen de vertelster en Frédérique. 'Soms legde ze haar hand op mijn schouder en dat had eeuwig zo moeten duren, in de bossen, in de bergen, op de paden, une amitié amoureuse, zeggen de Fransen.' Maar het blijft natuurlijk niet eeuwig duren. Eerst duikt de Belgische Micheline op, een tetterend leeghoofd dat zich aangetrokken voelt tot de vertelster, iedere dag nieuwe kleren draagt en niet beseft dat vrolijkheid na verloop van tijd een gruwel kan worden. Zij lokt de vertelster weg bij haar geliefde. Wanneer niet veel later de vader van Frédérique sterft en deze terugkeert naar huis, is de breuk compleet. Ze nemen afscheid op het perron en beseffen dat hun adieu voor altijd zal zijn. Jaeggy beschrijft dit alles vanuit het heden. Getekend door afstandelijke melancholie kijkt ze terug naar die jaren van de tucht, zoals ze haar jeugd in de kostschool beschrijft. Het waren gesloten jaren, waarin wrok en liefdeloosheid regeerden, maar uiteindelijk waren het ook gelukkige jaren. Hoe het de vertelster zelf verder verging, kom je niet echt te weten. We krijgen nog wel een paar van haar schoolgenoten te zien - ook Frédérique trouwens, die de vertelster op een avond ontmoet in een filmzaal, maar de magie is weg. Wat rest, is een eindeloze herhaling van afstompende ervaringen. Baadde het Bausler Instituut in een koel-sombere en bijwijlen ziekelijke sfeer, dan ging het daarna alleen nog maar bergaf. We leven allemaal, zo zou je kunnen besluiten na het lezen van Jaeggy, in Appenzell.