Aan politieke correctheid doet Debbie Harry nog steeds niet. Anders keek ze er wel voor uit om in haar memoires ondubbelzinnig de voordelen van heroïne aan te prijzen. Dat David Bowie haar ooit doodleuk zijn jongeheer liet zien, vulde haar niet met verontwaardiging, integendeel: 'Het was zo grappig, aanbiddelijk en sexy.' En noem de peroxidebleke zangeres van Blondie de pin-up van de poppunk en ze zal u danken: 'Ik vond het prima dat ik boven het bed van mijn fans hing, en hen hielp zich te vermaken.'
...

Aan politieke correctheid doet Debbie Harry nog steeds niet. Anders keek ze er wel voor uit om in haar memoires ondubbelzinnig de voordelen van heroïne aan te prijzen. Dat David Bowie haar ooit doodleuk zijn jongeheer liet zien, vulde haar niet met verontwaardiging, integendeel: 'Het was zo grappig, aanbiddelijk en sexy.' En noem de peroxidebleke zangeres van Blondie de pin-up van de poppunk en ze zal u danken: 'Ik vond het prima dat ik boven het bed van mijn fans hing, en hen hielp zich te vermaken.' Voor Harry, al van kindsbeen af begeesterd door het witte doek, was (en is) zingen bij Blondie de rol van haar leven. In Marilyn Monroe vond ze haar voorbeeld: het typische domme blondje, maar Harry dichtte haar meer intelligentie toe dan de legende toelaat. Geen wonder dat ze ook in haar boek veeleer een imago cultiveert dan haar ziel uitpakt. De talloze fantekeningen van haar beeltenis waarmee ze het lardeert - kasten vol heeft ze bewaard - onderstrepen dat. Helaas is het zelfportret dat Debbie Harry met Face It inlijst soms bijna even stumperig als dat kleurrijke gekrassel. De verlatingsangst waarop ze aan het begin van haar vertelling alludeert - ze is een adoptiekind - spit ze niet uit. Dat ze ooit door een inbreker werd verkracht, borstelt ze erbij als een zoveelste fait divers. En details over de breuk met haar grote liefde en toeverlaat, Blondie-gitarist Chris Stein, kunt u vergeten. Tenzij eentje: de twee zeiden elkaar - althans op amoureus gebied - adieu op de dag dat Andy Warhol stierf. Wel meeslepend is hoe New York er in dat stuk als Harry's belangrijkste tegenspeler uit komt. Eind jaren zeventig gold die metropool als een verloederd oord waar louter wonen je je hachje kon kosten. Harry kwettert daar meerdere voorbeelden van bij elkaar. Zo werd ze op een nacht pardoes dakloos nadat haar bovenbuur, lid van een motorbende, zich zonodig had moeten laten martelen en in brand steken. Die urbane malaise bleek natuurlijk een gedroomde biotoop voor de kunstzinnigen die zich in de downtownscene manifesteerden: kunstenaars (Warhol, Jean-Michel Basquiat), modeontwerpers, fotografen, regisseurs... Luitjes bij wie de altijd al stijlbewuste Harry, die zowel haar look als haar interieuren vormgaf met vullis van de straat, zich danig in haar sas voelde. Die artistieke kant van haar krijgt in Face It alle belichting. Hoe droog, fraai anekdotisch en onderhoudend dit boek beslist ook is, toch verliest Harry enkele keren de plot. Een hoofdstuk over duimen: qué?