Wiskunde is de grammatica van het leven, zo poneert de Italiaanse schrijfster en wiskundige Chiara Valerio in de inleiding op haar eigenzinnige geschiedenis van de mathematica, een abstracte methode waarmee je de wereld kunt vatten, waarmee je helderheid kunt scheppen in de chaos van ons bestaan. Dergelijke overzichtelijkheid klinkt aanlokkelijk, maar Valerio laat meteen zien dat ook wiskunde niet eenduidig is: er werd in de loop der eeuwen duchtig gebakkeleid over het 'waarheidsgehalte' van al die cijfercombinaties. Want waar verwijzen al die formules naa...

Wiskunde is de grammatica van het leven, zo poneert de Italiaanse schrijfster en wiskundige Chiara Valerio in de inleiding op haar eigenzinnige geschiedenis van de mathematica, een abstracte methode waarmee je de wereld kunt vatten, waarmee je helderheid kunt scheppen in de chaos van ons bestaan. Dergelijke overzichtelijkheid klinkt aanlokkelijk, maar Valerio laat meteen zien dat ook wiskunde niet eenduidig is: er werd in de loop der eeuwen duchtig gebakkeleid over het 'waarheidsgehalte' van al die cijfercombinaties. Want waar verwijzen al die formules naar? Wat betekent de cartesiaanse ruimte als die niet 'echt' bestaat? Een perfecte cirkel is bijvoorbeeld denkbaar maar zelfs met de meest precieze passer en het fijnste potlood is het resultaat bedroevend korrelig. Toch blijft Valerio zoeken. Ze loopt de vaak bizarre levens van enkele wiskundigen af en verweeft die met haar eigen bestaan. Daarbij maakt ze vaak lange persoonlijke uitstapjes. Haar relatie met haar vader, een laconieke natuurkundige, komt regelmatig aan bod, maar net zo makkelijk put ze inspiratie uit de wereldliteratuur. Als ze het bijvoorbeeld over kansberekening heeft, verknoopt ze het leven van de achttiende-eeuwse wiskundige Pierre-Simon Laplace met haar lectuur van De gokker van Dostojevski én legt ze fijntjes waarom je beter roulette speelt dan een lottoformulier invult. En wie net als haar - volkomen terecht - onder de indruk is van beide Blade Runner-films of zich zorgen maakt over artificiële intelligentie, doet er goed aan haar hoofdstuk over cyberneticus Norbert Wiener te lezen. Hoewel Valerio soms wartaal uitslaat - haar essay over Riemann is ronduit onleesbaar - werkt haar enthousiasme aanstekelijk, ook omdat ze de geijkte paden vermijdt: geen droge biografische opsommingen, geen koddige prentjes die complexe problemen behapbaar moeten maken voor de leek, geen melig gedweep met de genialiteit van Fermat of Landau. Valerio schrijft voor de vuist weg: als je niet weet wat het vijfde postulaat is en hoe moeilijk zich dat bewijzen laat, dan gaat ze dat niet uitleggen - er bestaat zoiets als Wikipedia, ondertussen doceert ze lekker verder. Ongetwijfeld zijn er overzichtelijker introducties te vinden, minder warrige ook, maar zo illustreert ze meteen ook haar uitgangspunt: net als het leven is de wiskunde vaak een rommeltje.