'Je hebt me getroost', fluistert Geniek Janowski in het oor van de stervende mevrouw Beckers. Hij had haar meer dan een decennium niet meer gezien, maar toen hij hoorde dat ze terminaal was, repte hij zich naar het ziekenhuis om afscheid te nemen. 'Er komt iets na het verdriet', voegt hij er voor haar man en drie dochters aan toe, gewoon omdat 'klote' zo hard aankomt, ook al vat het de situatie wel helemaal samen.
...

'Je hebt me getroost', fluistert Geniek Janowski in het oor van de stervende mevrouw Beckers. Hij had haar meer dan een decennium niet meer gezien, maar toen hij hoorde dat ze terminaal was, repte hij zich naar het ziekenhuis om afscheid te nemen. 'Er komt iets na het verdriet', voegt hij er voor haar man en drie dochters aan toe, gewoon omdat 'klote' zo hard aankomt, ook al vat het de situatie wel helemaal samen. Geniek is een typische Grunberg-antiheld. Hij is een buitenstaander van Pools-Duitse afkomst die in het Limburgse Heerlen zijn kost verdient als brandweerman. Hij heeft met iedereen het beste voor, bijt wegens gebrek aan ruggengraat nooit van zich af en neemt het leven zoals het komt. Alleen bij de goede mannen van de C-ploeg, zijn werkmakkers dus, voelt hij zich thuis. Stuk voor stuk fatsoenlijke mannen zijn het, met het hart op de juiste plaats. Samen onder de douche knijpen ze wel eens in elkaars vetrollen, omdat ze al zo lang collega's zijn. 'De Pool' noemen ze Geniek, net zoals iedereen trouwens, zijn vrouw Wen en hun twaalfjarige zoon Jurek incluis, die ook al vlug doorheeft wat voor iemand zijn vader is. Wanneer de Pool opmerkt dat Jurek tijdens het eten niet de hele tijd naar zijn gsm moet zitten staren, antwoordt de jongen gevat: 'Waar moet ik dan naar staren? Naar jou? Denk je dat het zo leuk is om jou te zien?' De Pool is inderdaad geen plaatje, en dat heeft alles te maken met het verleden: ooit hadden Wen en hij twéé zonen. Borys heette Jureks schuchtere en teruggetrokken broer. Toen Borys een jaar of twaalf was, begon hij opeens in zijn broek te poepen. Kinderen lachten hem uit en de schooljuf zette hem bij het open raam. Niets leek te helpen, tot Borys zelf met het idee op de proppen kwam dat hij een pony wilde. Voortaan ging de jongen vrijwel dagelijks bij het dier in de stal staan. Hij fluisterde tegen de pony, poepte naast hem in het stro en had voor het eerst werkelijk contact. Maar ook dat bleek uiteindelijk niet voldoende, en dus sprong hij onder de intercity en werd zijn vader opgeroepen om hem van de rails te krabben. Van die dag af ging de Pool zelf naar de pony en stond hij uren naast hem op stal. In Goede mannen scheert Arnon Grunberg toppen van bitterheid en cynisme, want het voorval met Borys en de pony is nog maar een onschuldige inleiding op wat komen gaat: Genieks zoektocht naar troost en betekenis en het uiteindelijke verraad door die mannen uit de titel. Meedogenloos gidst Grunberg je door scènes waarvan je aanvankelijk niet begrijpt waarom ze zo overdreven gedetailleerd of zelfs ietwat sullig langdradig zijn, tot je beseft dat zij je in de juiste sfeer dienden te brengen zodat het genadeloze einde des te harder aan zou komen. En dat doet het, keihard. Nog maar zelden bleven we zo onthutst achter na het lezen van een roman. Maar eerst die troost dus, die de vrouw van zijn collega Beckers hem wil bezorgen. Ook zij treurt, om een liefde die altijd een belofte is gebleven, vertelt ze de Pool, die in feite alleen maar geïnteresseerd lijkt in seks. Ze liggen naakt op bed en ze gebiedt hem zich op zijn buik draaien, waarna ze hem neukt met een winterpeen en toont dat de ene pijn de andere kan verdrijven. Ze laat hem kennismaken met de troost die pijn doet, de troost die ook flagellanten en kluizenaars zochten. Normale mensen bestaan niet, shockeerde Freud een eeuw of wat geleden de goegemeente. Hetzelfde zou je na het lezen van Grunbergs nieuwe roman over goede mensen kunnen zeggen. Of zoals 'de mensenknecht' zegt die de boer en de boerin verzorgt op de boerderij waar de pony op stal staat: 'Ik sta niet boven de hulpbehoevenden, diep vanbinnen ben ik ook een hulpbehoevende, als je goed kijkt zijn er alleen hulpbehoevenden.'