'The past is a foreign country; they do things differently there', schreef L.P. Hartley in zijn roman The Go-Between. Als er één Nederlandstalige schrijver van die slagzin een leidraad heeft gemaakt, dan wel Thomas Verbogt. Keer op keer laat hij zijn personages terugkeren naar het vreemde land dat hun verleden is en laat hij hen ontdekken dat wat ze zich herinneren misschien alleen maar hun eigen versie van de feiten is, die niet per se hoeft te stroken met die van anderen.
...

'The past is a foreign country; they do things differently there', schreef L.P. Hartley in zijn roman The Go-Between. Als er één Nederlandstalige schrijver van die slagzin een leidraad heeft gemaakt, dan wel Thomas Verbogt. Keer op keer laat hij zijn personages terugkeren naar het vreemde land dat hun verleden is en laat hij hen ontdekken dat wat ze zich herinneren misschien alleen maar hun eigen versie van de feiten is, die niet per se hoeft te stroken met die van anderen. Zo ook in zijn nieuwste roman, die als uitgangspunt een burenruzie heeft. Toen de verteller een tiener was, was hij getuige van een vechtpartij tussen zijn vader en de aan een oorlogstrauma lijdende overbuur, meneer Hempel. Vader zag hoe Hempel zijn vrouw sloeg en schopte en kwam tussenbeide, wat hem op een paar flinke klappen te staan kwam. Meneer Hempel bleek emotioneel te labiel om nog in de maatschappij te functioneren en kwam in een inrichting terecht. Mevrouw Hempel zat psychisch ook op het randje en besloot een tijdje naar haar zus in Nieuw-Zeeland te verhuizen. Dus bleef alleen Alexander Hempel over, de zoon van het koppel, die ongeveer de leeftijd van de verteller had. Omdat de vader van die laatste zich toch wat schuldig voelde, kwam hij met het idee om Alexander op te vangen. Hij werd 'onze pleeg', zoals de verteller wel eens schertsend zei, maar als hij eerlijk was, zag hij die pleeg toch liever gaan dan komen. Niet alleen palmde hij zijn oudere zus Marleen in, Alexander leek ook een nefaste invloed te hebben op het welvaren van de verteller zelf. En dat bleef zo, ook nadat de pleeg naar Groningen was vertrokken om te studeren. Dat Martha, de grote liefde van de verteller, hem na een kus van vijf minuten de rug had toegekeerd en nooit meer was teruggekomen, en dat ze niet op zijn uitnodiging was ingegaan om samen met hem zijn twintigste verjaardag te vieren, weet hij bijvoorbeeld ook aan Alexander. Alexanders onzichtbare invloed wordt een beetje het verhaal van het leven van de verteller, én van Als je de stilte ziet. Je zou deze roman nog het best kunnen omschrijven als een verfijnde karakterstudie van een man met een zwaar beschadigd zelfbeeld. Wanneer je op jezelf blijft, riskeer je niets te zullen verliezen, bedenkt de verteller zich ergens in het boek, terwijl je heel veel op het spel zet door een relatie aan te gaan. 'Als we in ons hart kijken, willen we dan niet het liefst alleen zijn?' vraagt een van zijn latere geliefdes hem, waarop hij antwoordt: 'Kunnen we iets anders?' Daardoor bestaat zijn leven uit een aaneenschakeling van scènes die stuk voor stuk op een bepaald moment afbreken. 'We waren minnaars, ' typeert hij zijn band met een vrouw, 'maar we hadden geen relatie.' Of zoals zijn zus hem verwijt: 'Je bent zo vluchtig'. In Als je de stilte ziet krijgt de inmiddels vijfenzestigjarige verteller de kans om in het reine te komen met zijn verleden. Hij komt Marleen, Alexander en zelfs Martha op het spoor en ontdekt dat hij, als een klassieke tragische held, het slachtoffer is geworden van zijn eigen waanbeelden. Alleen is het deus-ex-machinagehalte van dat inzicht net iets te groot om echt geloofwaardig te zijn, en dat is jammer voor een boek dat voor het overige excelleert in evenwicht en subtiliteit.