Theaterfestival: Reactie op State of the Union 2011

25/08/11 om 16:40 - Bijgewerkt om 16:40

Bron: Knack Focus

Het Theaterfestival start vandaag traditioneel met een 'State of the Union'. Guido Lauwaert blikt terug en vooruit.

Theaterfestival: Reactie op State of the Union 2011

State of the Union

Proloog

De tijd is daar, dat ik

U meer onthullen moet. Dat eerst uw hand

Mijn tooverhulsel van mij neme! -

[Hij legt zijn mantel neder]

Zoo!

Lig daar, mijn kunst! - Wisch de oogen - wees goedsmoeds;

Dit schrikk'lijk schouwspel van de schipbreuk, dat

Uw innigst medelijden heeft gewekt,

Heb ik met ied're voorzorg van mijn kunst

Zóo doen geschieden, dat geen enk'le ziel,

Ja, zelfs geen enkel haar verloren ging

Van al de schepsels, die gij in dat schip

Hebt horen jamm'ren, zien vergaan. Zit neder;

Want meer moet gij nu hooren.

[Prospero - 1ste bedrijf - 2de scène - De Storm - William Shakespeare - vertaling dr. L.A.J. Burgersdijk]

Voorspel

Het is ongetwijfeld zo dat wij allen van het theater houden. Het is onze wereld, ons leven, zelfs de dood zal ons niet van het speelvlak jagen. Kortom, wij hebben het beste met het theater voor. Maar wat is het beste? Niet meer of minder dan de eigen inzet en het eigen engagement. In die mate dat het ten goede komt aan het theater, en het toneel in het bijzonder. Dat was zo tot de neergang van Studio Herman Teirlinck. Na de ondergang is er een kentering gekomen, een nieuwe tijd die moeilijk een nieuwe lente genoemd kan worden. Eerder een herfsttij.

Want wat is het geval? Het oprukkend populisme in de maatschappij heeft ook de theaterwereld besmet. De macht verschoof van 'theatre for ever and ever' naar 'I, me, mine'. Het gevolg is een afkalvende kwaliteit van het toneel in al zijn vormen, op enkele uitzonderingen na. Welke? De producties die door de halfgoden worden gemaakt, want er is maar één god en dat is het theater. De halfgoden zijn Franz Marijnen, Luc Perceval, Guy Cassiers, Ivo van Hove. Het vreemde is nu dat deze vier halfgoden meer in het buitenland zitten dan in het binnenland. Dat moet tot nadenken stemmen. Dat is al gebeurd door een keur aan acteurs die rigoureus voor deze halfgoden hebben gekozen. Zij maken het acteursveld par excellence uit. Een enkele zal eens mogen meespelen en een uitzondering wordt opgenomen in het pandemonium.

Die toestand heeft gemaakt dat er de laatste jaren drie kasten zijn ontstaan. Een opperkaste geleid door de halfgoden, een middenkaste geleid door minigoden die één op de vijf keer een zelfbenoemde succesproductie maken, en een onderkaste die producties maken zonder visie of structuur. Het kan geen toeval zijn dat de midden- en onderkaste verantwoordelijk zijn voor de kritiek op de theaterwereld. En de Vlaamse overheid weet dat. Zij zal, net zoals dat al gebeurd is in Nederland, een aanslag op het theaterbudget uitvoeren door te wijzen op de hoge prijs die al jaren betaald wordt voor groepen en producties die de kostprijs niet waard zijn. Als ze elders financiers vinden voor hun sport en spel in de turnzaal, goed, doe maar aan, maar hop! weg van de vetpot van de gemeenschap. Wie gaat daar het grootste slachtoffer van zijn? De producties van de schouwburgen die met de opperkaste in zee gaan, want de overheid zal elke aanslag op de zwakkeren in de theaterwereld ontkennen. In het zog van die aanslag zal de hele werking van de schouwburgen in het gedrang komen.

Maar goed, u kan het hiermee eens of oneens zijn, de essentie is de vraag wie nu verantwoordelijk is voor de slachtpartij die er dreigt aan te komen. Het antwoord ligt voor het grijpen. De toestand zoals die momenteel in de theaterwereld bestaat mag dan wel de aanleiding zijn, de oorzaak is de overheid zelf. Gedurende jaren heeft zij een woeste wildgroei getolereerd én gefinancierd. Had zij eerder ingegrepen dan was een morele en financiële wurging nu en morgen niet nodig. Het mankeerde de overheid echter aan moed en doorzicht en daar zal de theaterwereld voor moeten bloeden.

Wat te doen? De theaterwereld moet ophouden met zich in paniek en in het wilde weg te verdedigen maar moet frontaal kiezen voor de aanval. Het falen van de overheid moet in kaart gebracht worden en dat moet worden uitgespeeld. Het VTI verkeert in principe in de positie om het voortouw te nemen, helaas heeft het zich verschanst in de eigen burcht en houdt zich bezig met studies, enquêtes, analyses die wel fraai zijn, maar in wezen slechts een onderdeel zouden mogen zijn van zijn werking. Ook daar, op de brug van het schip Theater, heerst een houding van pappen en nathouden. Wordt in de eerste plaats gekeken naar het beveiligen van de eigen positie, zowel van het instituut als van elke spinnen- en stofverzamelaar die er werkzaam is. En de beste beveiliging is de stilte, tegenover de overheid, met aan het hoofd de minister van Cultuur, maar ook bijgestaan door de minister-president. Hij zweert bij subsidies voor de economische bedrijven en is geen reet geïnteresseerd in de culturele. Zwaaien met een boekenlijstje voor de vakantie is boerenbedrog en de verschijning op een voorstelling heeft een diplomatieke relevantie.

Dat belet niet dat elk gezelschap ook eens de hand in eigen boezem mag steken en zich vragen stellen. Is het verder bestaan nog wel verantwoordt? Waar zijn we mee bezig? Spelen we niet vals als we zweren bij het theater terwijl we in werkelijkheid alleen om onze eigen broodwinning bekommerd zijn?

Hoofdspel

The State of the Union is een jaarlijkse traditie. De spreker van dienst wordt gezien als de Heilige Geest, de familievader die zijn licht moet laten schijnen over de toestand van de theaterwereld. Hij moet zowel de huidige situatie nader beschouwen als de vinger leggen op de wonden, waarschuwen voor de gevaren die er dreigen te ontstaan en de mogelijkheden aanreiken om het wereldje te beschermen tegen aanvallen van externen. Maar ook voorbeelden stellen van wat er intern fout loopt. Spijkers met koppen moet hij slaan en niet bang zijn voor kritiek.

De voorbije jaren is echter gebleken dat de boottrekkers van het culturele wereldje niet de meest geschikte personen zijn voor een gedegen State of the Union. Op Ivo van Hove na, die zijn State voor het Nederlandse en niet voor het Vlaamse luik van het Theaterfestival schreef, bakten de boottrekkers er weinig van. De overheid werd er niet door opgeschrikt en de sector nam akte, knikte, en keek toen weer naar het eigen breiwerk. Vermoedelijk om de schamelheid van wat het jaarlijkse grote peppraatje moest zijn, is dit jaar gekozen voor iemand uit de academische wereld, Pascal Gielen, docent cultuurpolitiek aan de universiteit van Groningen.

Helaas, de man vervult van goede bedoelingen ongetwijfeld, heeft een werkstuk afgeleverd dat stinkt naar ijdelheid en totaal waardeloos is. Waar hij wel in geslaagd is, maar dat deed hij vermoedelijk eerder onbewust dan bewust, is om de machtsverschuiving, hogerop aangegeven, te bevestigen. Alom gaat het om 'I, me, mine' eerder dan om 'theatre for ever and ever'. Al in de eerste zin van zijn toespraak is het eigen ego prominent aanwezig. 'Toen ik 18 jaar was, zat ik met mijn ouders bij de klasleraar voor het obligate oriëntatiegesprek.' Waarna hij namen van coryfeeën uit de mouw schudt via pikante anekdotes uit de theaterwereld. Door die truc zet hij zichzelf geen sport maar meteen een hele ladder hoger dan de plaats waar hij hoort te staan, aan de zijlijn van het speelveld. Vervolgens verliest Pascal Gielen zich in psychologisch gezwets. Een voorbeeld. 'De podiumkunsten in Vlaanderen proberen een soort zwakke en rauwe waarheid over het mens-zijn in deze samenleving aan te tonen.'

Vervolgens gaat de spreker de politieke toer op, althans de filosofische kant ervan. In wazige termen beschrijft hij de verstandhouding tussen de theaterwereld en de overheid. In loodzware zinnen komt hij tot een conclusie die nog zwaarder weegt dan de krijtlijnen die tot deze conclusie hebben geleid. 'Deze schijnbaar neutrale bemiddeling en grijze diplomatie [van de overheid, gl] maken het paradoxaal genoeg mogelijk dat de kunstenaar net wél gekleurde uitspraken kan doen.'

Tergend langzaam arriveert hij bij het feit dat van wat hij een 'evidence-based policy' noemt, in wezen 'veel minder neutraal is dan op het eerste gezicht lijkt.' De hakbijl van de Iron Lady blijkt het oerwapen geweest te zijn van wat het kunstenbestel van Nederland het voorbije seizoen is overkomen, en waar ook die van Vlaanderen niet zal aan ontsnappen. Dat de theaterwereld het straks met minder geld zal moeten doen en de toeschouwer dieper in de buidel zal moeten tasten, met als gevolg dat enkel de elite in de zaal en op het podium zal overblijven, is de schuld van Margaret Thatcher. Hallo!

Pascal Gielen is niet losgeraakt van de lucht van zijn kantoortje aan de universiteit. Hij herhaalt wat al lang geweten is, maar verpakt het in holle academische termen en wijdlopige filosofische beschouwingen. Hij spaart de geit en de kool, noemt de kat niet bij naam en hult zich in de vacht van een leeuw met afgevijlde klauwen en rotte tanden. Klap op de vuurpijl is dat hij het theaterwereld verwijt geen oog te hebben voor het gevaar van bijltjesdag. Het trekt zich terug in plaats van in de aanval te gaan. Alsof zijn Catilinaanse redevoering, althans dat denkt hij waarschijnlijk zelf, geen wal is ter waarde van de Berlijnse Muur zaliger, geen hoog Pontius Pilatusgehalte heeft. Aan vaststellingen die al jaren vast staan, aan het wijzen op wonden die al jaren bloeden en die iedereen kent, aan afstandelijkheid om iedereen te vriend te houden, heeft

niemand wat en is iedereen tevreden, de overheid voorop.

Het eindgedeelte van The State of the Union 2011 zet in met een waarschuwing, maar hij is ongevaarlijk omdat hij een open deur intrapt. 'Naast de acteurs op het podium, wordt het ook voor het theaterbestel tijd om te acteren, zich werkelijk bloot te geven.' En dan wordt het helemaal lachwekkend. Sociologen en andere [beleids]onderzoekers hebben zich al te lang in een gewaad gehuld van wetenschappelijke objectiviteit en methodologische neutraliteit, beweert hij. 'Wie kleur bekent, de positie blootgeeft van waaruit hij spreekt, kan volgens mij echter meer luciditeit en objectiviteit bereiken dan zij die zich methodologisch proberen in te dekken.' Alsof zijn pleidooi een kleurbekentenis is, zo stelt hij het voor. IJdelheid kan tot blindheid leiden, zoveel is nu wel zeker.

Els De Bodt, directeur van het theaterfestival had blijkbaar haar twijfels over de kwaliteit van zijn aanklacht. Haar beknopte maar veelzeggende reactie gebruikt Pascal Gielen zelfs om de eindsprint in te zetten. '"Ja, dat klopt, maar hoe doe je dat concreet?" vroeg Els zich af. Dat kan je ook lezen als: "allemaal goed en wel in theorie, maar wat moeten we ermee in onze alledaagse praktijk?"' Waarop hij reageert door de sector aan te sporen meer uitspraken te doen op terreinen, en daarmee bedoelt hij politieke, waar men zich niet helemaal niet thuis voelt, 'maar die wel het gehele culturele klimaat bepalen.'

De laatste honderd meter bestaan uit concrete voorbeelden 'dan maar'. Wat een toontje! Ja, wij Vlamingen begrijpen alles niet van de eerste keer, zoveel is wel duidelijk. De voorbeelden zijn vergezocht maar dichtbij gevonden. 'De cultuursector moet terug de VRT claimen... het scherper stellen van zijn stem op het vlak van onderwijs... een gedragswijziging van de NMBS en het openbaar vervoer... de aanwezigheid op handelsmissies van Kris Peeters... een cultureel vluchtelingenstatuut... het sneller inspelen op de actualiteit [de rellen van Borgerhout, het Bam-tracé]... het komen tot een bredere vormgeving van het cultureel klimaat via het kunstenaarsstatuut.

'Politiek gaan, betekent zijn nek uitsteken op maatschappelijke terreinen waarop men minder vertrouwd is. Dat houdt uiteraard het risico in dat men op zijn bek gaat. Men staat dan misschien wel voor een keer of meer voor aap in zijn blote fluit, maar men kan dan tenminste toch niet meer zeggen: "Das haben wir nicht gewusst"'. Zo besluit Pascal Gielen zijn State. Wir haben das niet gewusst? Nou. Er hat das nimmer gewusst, zoveel is wel duidelijk.

Naspel

Naar aanleiding van het Theaterfestival en The State of the Union vroeg Knack aan een vijftal theatermakers om een [alternatieve] State of the Union. Opvallend is dat ze allen vertrekken van het eigen erf en zich vaak ook centraal opstellen.

Barbara Wyckmans, directeur van het Antwerps jeugdtheater HETPALEIS, gebruikt de seizoenopener Dodo, om dieper in te gaan op de vraag of de theaterbiotoop overbevolkt en verzadigd is, of er te veel dodo's zijn of te weinig en waar de balans ligt. 'De sector moet ophouden met te roepen: "We zijn met te veel!" Er zijn nog altijd meer mensen die niet naar het theater gaan dan mensen die wel naar het theater gaan. Het spel van te veel en te weinig wordt bepaald door het perspectief en het uitgangspunt van de stellingname.' Wat volgt is een nadere verklaring háár 'stellingname'. Leuk maar ze verzandt in cijfers en letters waar men niet rijker van wordt. En dat is jammer, want vuur en water heeft deze grande dame van de theaterwereld in overvloed. Ze verdedigt een onhoudbare stelling. De kwestie namelijk is niet de vraag of er te veel dan te weinig dodo's zijn. De kwestie is dat men alvorens de vraag gesteld kan worden een antwoord heeft. En die kan er enkel en alleen uit bestaan om het aantal sukkels van dodo's, want kwaliteit staat voorop, niet kwantiteit. Als dat het uitgangspunt is zal de overheid een sterk argument minder hebben om naar de hakbijl te grijpen.

Alexander Devriendt, artistiek leider van Ontroerend Goed, verdwaalt in een variatie op een variatie van een variatie aangaande de economische return van het overheidsgeld dat aan de kunstensector gegeven wordt. Iets waar de overheid zich maar al te zeer bewust van is, maar er over zwijgt als een graf. Hij graaft een studie van het VTI op die het beeld van de kunstensector als 'geldopslorper' tegenspreekt. Zelfs de podiumsector heeft deze studie naast zich neergelegd. Met die uitspraak bewijst Devriendt eigenlijk dat het VTI zelf in gebreke blijft. Want het is niet aan de theaters om met de studies van het VTI de barricaden te beklimmen. Dat is de taak van het VTI zelf.

Mohhallad Rasem, freelance theatermaker verraadt zijn roots niet. Zijn wortels liggen in het pleiten via verhaaltjes, waarin de herhaling een methode is om de opbouw spannend te houden. 'Moeder, laat mij huilen... Moeder laat mij de koning spelen ... Moeder laat mij zingen... Moeder laat mij dansen...' enzovoorts. Zeer warm, emotioneel en poëtisch, maar weinig relevant, in de betekenis van ter zake dienend.

Wim Opbrouck en Steven Heene, twee zuilen van het artistiek beleid van het NTGent, breken een lans om het hoofd niet te laten zakken nu er onweer staat aan te komen. Al zingend 't vrije lied het pad op. 'In een verhardende samenleving, waarin "zachte" waarden als verdraagzaamheid, solidariteit, maar ook poëzie en verbeelding stilaan in de verdrukking zijn, is er nood aan bakens, veeleer dan aan torens. En een baken kan de meest uiteenlopende vormen aannemen: het kan een mondige persoonlijkheid zijn. Of een beklijvende voorstelling. Of een installatie. Enzovoort.' Een naïeve zienswijze die alle klippen omzeilt, maar goed, ieder zijn meug.

Michaël De Cock, artistieke leider van het Mechelse 't Arsenaal, gooit zich op de briefvorm en richt zich tot de aanvoerder van het cohorte critici van Knack. In plaats van de theaterwereld en zijn problemen en toestanden te bekijken vanuit zichzelf, spant hij de kar voor het paard. Daarmee bereik je eigenlijk het tegenovergestelde van wat je wilt bereiken, namelijk, dat je standpunten hun waarde uit hun krachten halen. Wanneer hij de critici in het vizier neemt wordt het helemaal te dol. Hij verwijt Griet Op de Beeck van De Morgen evenveel over zichzelf als over het onderwerp te schrijven. Terecht, maar de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet. Wie zijn State op de site leest struikelt van de ene naar de andere 'ik'. Met een pleidooi dat overbevolkt is met ballonnen waarin geen gas zit maar koude lucht, en ze dus geen hoogte kunnen halen, legt Michaël De Cock de vinger op de grootste wonde van deze theatertijd, en waar al een paar maal naar verwezen werd. Die wonde is een gevaar door de theaterwereld, en heeft al voor veel kwaad gezorgd. Hij is de klip van de schipbreuk die er staat aan te komen en voor een schrik'lijk schouwspel zal zorgen: 'I, me, mine'.

Guido Lauwaert

Onze partners