Rival Sons @ AB: Tweedehands, maar in prima staat

08/04/15 om 13:48 - Bijgewerkt om 13:48

Rival Sons is één van die jonge bands die een toekomst hopen te puren uit het verleden. De bluesrock van het kwartet uit Long Beach, Californië wortelt in de late sixties en vroege seventies en doet behoorlijk retro aan. Niettemin klinkt ze op het podium opvallend trefzeker en opwindend.

Rival Sons @ AB: Tweedehands, maar in prima staat

Rival Sons © Yvo Zels

DA GIG: Rival Sons in AB, Brussel op 7/4.

IN EEN ZIN: Rival Sons bezondigden zich veelvuldig aan muzikale kleptomanie en kopieerden een sound die meer dan vier decennia geleden werd ontwikkeld, maar ze beheersten hun kunstje zo goed dat ze er toch indruk mee wisten te maken.

HOOGTEPUNTEN: 'Electric Man', 'Secret', 'Pressure and Time', 'White Noise', 'Torture', 'Rich and the Poor'...

DIEPTEPUNTEN: geen.

BESTE QUOTE van Jay Buchanan: "You guys are the raddest and coolest audience we could wish for. Dat houdt ons gaande, want dank zij jullie vinden we de moed en energie om door te reizen naar de volgende stad. Reken er dus maar op dat we gauw terugkomen."

Ze kunnen het onmogelijk verbergen: Rival Sons hebben met méér dan gewone aandacht naar de platencollectie van hun ouders -of misschien zelfs hun grootouders- geluisterd. Daarbij hebben de heren de sound van Led Zeppelin, Cream, Free en Bad Company tot in de kleinste details bestudeerd en iedere stijlfiguur meticuleus nagetekend. Mocht je nietsvermoedend een track uit één van hun vier langspelers op de radio horen, dan zou je meteen het gevoel krijgen dat je in een classic rock-station was uitgestapt. Anachronistisch? Jazeker, maar Rival Sons staan met hun hang naar het verleden beslist niet alleen. Lenny Kravitz heeft er een succesrijke carrière aan overgehouden en ook The White Stripes, The Black Keys, Kings of Leon, Black Crowes en Royal Blood hebben grondig in de achteruitkijkspiegel gekeken.

Eigenlijk verschilt de strategie van de net genoemde hedendaagse bands niet wezenlijk van die van The Stones, The Animals, Them, The Yardbirds of talloze andere groepen uit de jaren zestig die inspiratie zochten in het verleden. Alleen ontwikkelden al die combo's destijds een eigen stijl, terwijl de muziek van Rival Sons vooral op herhaling steunt. Het is superieure imitatie die nauwelijks meer van het origineel te onderscheiden valt. Een beetje zoals al die prullen waar in kleine letters 'Made in Hong Kong' op vermeld staat.

Maar goed, originaliteit is volgens sommigen een fel overroepen begrip en wie recycleert geeft blijk van een ecologisch bewustzijn. Bovendien is een band als Rival Sons, voor wie de hardrockpioniers van weleer nooit aan het werk heeft kunnen zien, een valabel alternatief. Dat hun retromuziek best geloofwaardig klinkt, blijkt uit het feit dat ze al op sleeptouw werden genomen AC/DC, Aerosmith, Alice Cooper, Judas Priest en Kiss. Hun ambitie: middels prima songs aan rock-'n-roll weer een gevaarlijk randje slijpen.

Rauw en krachtig

Dank zij optredens op festivals als Graspop en Rock Werchter beschikken Rival Sons ook bij ons inmiddels over een trouwe aanhang. De groep, voor de gelegenheid aangevuld met een toetsenspeler die de nummers met zijn orgeltje soms een vage Doors-vibe bezorgde, werd geestdriftig ontvangen. Het materiaal uit haar vorig jaar verschenen vierde cd 'Great Western Valkyrie' vormde de ruggengraat van de set, maar er werd net zo goed geplukt uit oudere platen als 'Pressure & Time', 'Head Down' en het in 2009 verschenen debuut 'Before the Fire'.

Zanger en frontman Jay Buchanan, die blootvoets op het podium stond, bleek niet alleen over een charismatische uitstraling te beschikken, maar ook over een rauwe, uitermate krachtige bluesrockstem die afwisselend deed denken aan Robert Plant, Paul Rodgers en, in 'Good Luck', zelfs aan Chris Farlowe. Gitarist Scott Holiday -neen, hij zette die zonnebril op geen enkel moment af- schudde vanaf binnenkomer 'Electric Man' met een verbazende souplesse de ene sterke riff na de andere uit zijn instrument, kwam als solist verschroeiend uit de hoek en beheerste duidelijk alle trucjes uit het genre. Tijdens 'Pressure and Time' stak hij Jimmy Page naar de kroon, met de logge, bezwerende riffs van 'Manifest Destiny, Part One' verwees hij naar Tony Iommi van Black Sabbath en in 'Get What's Coming' ontleende hij zijn frasering aan Richie Blackmore. Opzienbarend was ook hoe hij, halverwege 'Tell Me Something', een welsprekende solo haast achteloos liet uitmonden in een pure shuffle.

Na het eerste halfuur volgde een akoestische set die door Holiday in zijn eentje knap werd ingezet met het instrumentale 'Nava'. En plots werd de groep het equivalent van een Russische matroesjkapop, waarin een andere verstopt zat. Michael Miley bediende zich nu van een compacter drumstel, borstels en een enkele keer zelfs van een cajón, de immer solide Dave Beste van een contrabas en de gitarist, met het oog op 'Burning Down Los Angeles', van een National Steel. Het meerstemmig gezongen, folky 'The Man Who Wasn't There' klonk verrassend subtiel en tijdens het even wervelende als bezwerende 'Wild Noise' bewees Scott Holiday dat zelfs Indische raga's voor hem geen geheimen meer hadden. Dat Rival Sons geen one trick ponies zijn, was na dit unplugged-blokje wel duidelijk.

Auditieve uppercuts

Vervolgens sloegen de decibels weer aan het rinkelen in 'Torture'. Het funky pianospel wees dit keer naar New Orleans, terwijl de naar de maan huilende zanger vocale assistentie kreeg van het publiek. Na enkele potige nummers waarin Rival Sons auditieve uppercuts uitdeelden, namen ze wat gas terug met het filmisch opgebouwde, twangy 'Rich and the Poor' en de soulvolle powerballad 'Where I've Been', volgens Jay Buchanan een song over schaamte, schuldgevoelens en het aanvaarden van de duisternis die in eenieders persoonlijkheid huist.

Het klonk allemaal precies zoals het hoorde, al bleek de groep, zeker in compositorisch opzicht, het carbonprocédé niet te schuwen. Heel wat passages klonken ons bijgevolg vertrouwd in de oren: een flard uit 'Ride the Sky' van Lucifer's Friend (zie 'Secret'), het gitaarloopje uit 'Gypsy' van Deep Purple ('Open My Eyes'). Beetje veel muzikale kleptomanie dus, en bij momenten ook iets teveel gefreak, want niet alle 'kijk-mama-zonder-handen'-solo's van Scott Holiday droegen bij tot de zeggingskracht van de songs. En zat er anno 2015 écht nog iemand te wachten op een drumsolo?

Hoe dan ook, met 'Keep On Swinging' trokken Rival Sons al groovend een vette streep onder hun show, waarin we af en toe ook echo's uit acid rock en psychedelia herkenden. Mocht de band een auto zijn, dan zouden we hem aanprijzen als: tweedehands, maar in bijzonder goede staat. En voor een mooi gestroomlijnde Bentley haal je, ook al is hij al 45 jaar oud, toch ook je neus niet op?

DE SETLIST: Electric Man / Good Luck / Secret / Play the Fool / Young Love / Pressure and Time / Manifest Destiny, Part 1 // Nava / Burn Down Los Angeles / The Man Who Wasn't There / White Noise // Torture / Tell Me Something / Rich And the Poor / Where I've Been / Get What's Coming // Open My Eyes / Drum solo / Keep on Swinging.

Onze partners