Iceland Airwaves Festivalblog - Dag 1

14/10/10 om 17:08 - Bijgewerkt om 17:08

Bron: Knack Focus

Woensdag is het Iceland Airwavesfestival van start gegaan. Dirk Steenhaut is ter plaatse en brengt dagelijks verslag uit.

Iceland Airwaves Festivalblog - Dag 1

Wie wil weten of IJsland, na Björk, Sigur Rós, Múm, Emiliana Torrini en GusGus nog meer muzikale verrassingen in petto heeft, vindt het antwoord op Iceland Airwaves. Dit showcasefestival in de binnenstad van Reykjavik wordt al sinds 1999 jaarlijks georganiseerd en lokt steeds meer internationale bezoekers. Niet de minsten overigens, want gerenommeerde bladen als Rolling Stone, Mojo, Dazed & Confused en Metal Hammer sturen steevast verslaggevers op pad om uit te vlooien wat er zoal broeit in het Hoge Noorden. Tja, dan kan Focus Knack niet achterblijven, natuurlijk. De lokale muziekproductie is in de loop der jaren een van de belangrijkste magneten geworden voor het IJslandse toerisme. Geen wonder dus dat Airwaves, waar dit jaar, gespreid over vijf avonden en tien podia, 252 bands te zien zijn, al ruim een maand vooraf was uitverkocht. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de talloze optredens op het off-venue-programma. Kortom: als er één ding is dat je op dit moment in Reykjavik nergens kunt vinden, dan is het wel... stilte.

DAG 1 (WOENSDAG).

Keflavik, 17u15

Er staat een gure wind en het regent wanneer het passagierstoestel van Icelandair de IJslandse bodem raakt. Niettemin ben ik opgelucht: al sinds vier uur vanochtend ben ik onderweg, met tussenstops in Parijs en Kopenhagen, en even zag het ernaar uit dat een stakingsgolf bij onze Gallische vrienden mijn reisplannen genadeloos weg zou spoelen. Ik land al voor de achtste keer op de luchthaven van Keflavik en het voelt stilaan aan als thuiskomen. De barre schoonheid van dit vulkanische eiland met zijn gletsjers en geisers, zijn gestolde lavavelden en pruttelende sulfaatpoelen, zijn spectaculaire watervallen en donkere basaltrotsen, zijn ijsgrotten en heetwaterbronnen, werkt hoogst verlavend. Wèl hoop ik, terwijl ik door het raampje van de bus naar de hoofdstad een hallucinant maanlandschap voorbij zie schuiven, dat de Vatnajökull zich voorlopig gedeisd zal houden.

Reykjavik, 18u30

In het Plazahotel, waar het zenuwcentrum van Iceland Airwaves gevestigd is en waar ik mijn polsbandje ga oppikken, heerst al een drukte van belang. De lucht is zwanger van de vreemde talen, maar veel IJslands heb ik nog niet gehoord. Bookingsagenten, muziekindustriebonzen, journalisten uit alle windstreken, allemaal hopen ze hier een nieuwe coole band te ontdekken, het liefst met een sound zoals je die nergens anders ter wereld aantreft. Want ook al wonen in IJsland slechts driehonderdduizend mensen, muzikanten zijn er in overvloed. Bovendien hebben ze de reputatie zich niets van de muziekbusiness aan te trekken en er lustig op los te experimenteren. Dat die eigenzinnigheid tot originaliteit leidt, hoeft op zich niet te verbazen. Dat die originaliteit ook nog verkoopbaar blijkt te zijn, dan weer wél. Want wie had enkele jaren geleden durven denken dat Amiina, Jóhann Jóhannsson of Ólafur Arnalds van de VS tot in China voor uitverkochte zalen zouden spelen? Het aantal IJslandse artiesten met een internationaal platencontract valt nauwelijks meer bij te houden. Maar laten we vooral nuchter blijven: de IJslandse scene biedt ook veel middelmaat. Wie tijdens Iceland Airwaves voor het eerst op speurtocht gaat, krijgt gegarandeerd een massa clichématige punk,- hardcore,- metal-, funk- en reggaebandjes te zien. En dan zwijgen we nog over de vele duffe singer-songwriters en de saaie Britpopafkooksels. Gelukkig heb ik de jongste jaren een soort instinct ontwikkeld -veel IJslandse vrienden hebben helpt ook- om die zoveel mogelijjk te vermijden.

Venue, 19u30

'Ga altijd de trap op', luidt een tip van de Airwavesorganisatoren voor buitenlanders. Een wijze raad, want de clubs en bars in Reykjavik zijn doorgaans niet zo groot en vaak bevinden kelders en bovenzaaltjes zich op plekken waar je ze niet verwacht. Na een afdaling en een klim kom ik terecht in Venue, waar het lokale Kími Records vanavond als curator dienstdoet. Ik ga er kijken naar Stafraenn Hákon, een gitarist die in de voorbije jaren in zijn eentje enkele boeiende instrumentale platen heeft gemaakt, maar nu met een negenkoppige band op het podium verschijnt: vier gitaristen, twee toetsenspelers, een drummer, bassist en een zanger. Allemaal dragen ze hun steentje bij tot wat dra tot een veelkleurige geluidsmuur zal uitgroeien. "Ik hoop dat jullie onze salsadeuntjes leuk zullen vinden", zegt Hákon, en daarmee zet hij al meteen het publiek op het verkeerde been. Uit de luidsprekers klinkt immers vooral dromerige, etherische postrock uit de stilaan overbevolkt rakende strook tussen Mogwai en Sigur Rós. De muziek is, door de toevoeging van een zanger uit de Jónsi- en Yorkeschool, een beetje poppier geworden en ze wordt met overtuiging gebracht, maar na een halfuur beginnen mijn gedachten onherroepelijk af te dwalen. Ik word opgeschrikt door een por in mijn zij: het is Rasmus Stolberg van Efterklang, die mij eraan herinnert dat ik morgenavond zeker naar zijn optreden moet komen kijken. Ik durf nog niets te beloven: op Iceland Airwaves weet je nooit helemaal zeker waar de muzikale branding je naartoe zal slepen.

Sódóma, 20u20.

Bij het horen van de clubnaam Sódóma krijg ik meteen bijbelse visioenen, maar de écht decadente taferelen uit het Reyjavikse nachtleven laten nog enkele uren op zich wachten. Tijd voor een eerste IJslands biertje. Vijf euro, het is niet goedkoop, maar vóór de financiële crisis die dit land enkele jaren geleden op zijn knieën dwong, kreeg je voor minder dan acht euro niets in je glas. Ik troost me dus met het idee dat vroeger niet àlles beter was en positioneer me vlak voor het podium waar inmiddels Petur Ben zijn opwachting maakt. De man is een kei op de snaren: ooit zag ik hem in zijn eentje een versie van Michael Jacksons 'Billie Jean' neerzetten, waar ik steil van achterover ging. Maar Ben is ook een puike songschrijver en een veelgevraagd arrangeur. Vanavond komt hij zijn nieuwe plaat voorstellen en dat doet hij met een band die alvast het beste doet vermoeden. Op drums: Siggi Baldursson van de legendarische Sugarcubes (en tegenwoordig onder anderen Emiliana Torrini). Op laptop en elektronica: Kippi Kanninus, die in zijn genre tot de absolute top behoort. De bassist herken ik niet, maar de onderhand legendarische Mugison bespeelt een elektronisch tuig van eigen makelij, terwijl Petur Ben zelf de zang en elektrische gitaar voor zijn rekening neemt. Het resultaat is scherpgerande rock die me een beetje doet denken aan Bowie in diens 'Scary Monsters'-periode: strak gespeeld, maar door de toevoeging van diverse digitale snufjes toch zeer 2010.

NASA, 21u40.

Tussen twee optredens door ben ik even gaan snollen in één van mijn favoriete boekhandels. Yep, die blijven hier behoorlijk laat open. Geen wonder dus dat nergens ter wereld per hoofd van de bevolking zoveel literatuur wordt verkocht als in IJsland. In de voorbije jaren heb ik hier, naast nobelprijswinnaar Hálldor Laxness, nog een aantal andere interessante schrijvers leren kennen: Halgrímur Helgason (van 'Reyjavik 101'), Einar Már Gudmundsson (van 'Angels of the Universe'), Olaf Olafsson, Sjón, Ólafur Gunnarsson, Gudbergur Bergsson... Aangezien mijn kennis van het IJslands enigszins te wensen overlaat, ben ik op vertalingen aangewezen, maar die zijn hier, ten behoeve van de buitenlanders, gelukkig ook verkrijgbaar. Ik noteer een paar namen die ik nog niet ken en spoed me naar NASA, de plaatselijke AB, voor Benni Crespo's Gang. Op straat beginnen zich overal lange wachtrijen te vormen: een nadeel van het uit zijn voegen groeiende succes van Iceland Airwaves. Op papier kun je uit het aanbod makkelijk je eigen festival samenstellen, maar in de praktijk wil dat wel eens tegenvallen. Als de zaal vol zit, is de security onverbiddelijk. Wie uit noodzaak voor dit probleem geen strategie bedenkt, dreigt tijdens het festival regelmatig het deksel op de neus te krijgen. Ik wil de indieband Benny Crespo's Gang vooral zien omdat het de groep is waar ook Lay Low deel van uitmaakt. Dit meisje, voor haar moeder eigenlijk gewoon Lovísa Elísabet Sigrúnardóttir, groeide in 2006 uit tot een internationaal fenomeen dank zij haar solo-cd 'Please Don't Hate Me', een folk- en countybluesplaat waarvan de songs zelfs doordrongen tot in de Amerikaanse tv-serie 'Gray's Anatomy'. Het leverde Lay Low, behalve een stek op talloze buitenlandse festivals, ook een deal met het Canadese Nettwerk-label op. Helaas, het concertschema in NASA loopt vertraging op. Ik twijfel even, maar vertrek uiteindelijk tijdens de intro van het eerste nummer. Anders dreig ik het optreden van Míri te missen.

Venue, 22u.

Drie jaar geleden kreeg ik een demo in handen gestopt van een instrumentale gitaarband en die intrigeerde me genoeg om hem aan mijn 'must see'-lijstje toe te voegen. De heren van Míri hebben met 'Okkar' net hun officiële debuut-cd uit en die release wordt gevierd tijdens Airwaves. Tot mijn vreugde ontsnapt Míri aan alle postrockcliché's. Geen echo's van Godspeed of Explosions in the Sky hier, maar wel een stevige scheut postpunk en mathrock, al klinkt het kwartet veel minder intellectualistisch dan, pakweg, Battles. Er wordt maniakaal strak, trefzeker maar met heel veel speelplezier gemusiceerd, en door op een bepaald moment een gastzanger-harmonicaan te introduceren voegt de groep ook extra klankkleuren aan haar sound toe. Wie een fan is van het Noordierse And So I Watch You From Afar, moet deze geweldenaars beslist leren kennen.

Sódóma, 22u50

Het heeft me het nodige ellebogenwerk gekost, maar ik bén er. Hoewel ik componist-pianist Ólafur Arnalds en zijn strijkkwartet (bij ons binnenkort te zien tijdens het Autumn Falls-festival in de Botanique) al minstens vijftien keer eerder heb gezien, laar ik geen gelegenheid voorbijgaan om zijn filmische kamermuziek met onderhuidse elektronica lijfelijk mee te maken. Helaas pindakaas: het tijdschema in het programmaboekje blijkt niet meer te kloppen. Het concert van Arnalds heeft, zo verneem ik van een toeschouwer, al enkele uren eerder plaatsgevonden. Dat is balen. In zijn plaats bestijgt nu Ourlives het verhoogje. Ik neem me voor het twee nummers lang aan te zien. Het vijftal speelt eerbare, melodieuze indiepop en heeft degelijke songs in de aanbieding, maar wat mij betreft mag het toch iets méér zijn. De frisse buitenlucht lijkt me op dit moment een aantrekkelijker optie.

Faktory, 23u30

Een korte wandeling brengt me naar Faktory, een club die vroeger Grand Rokk heette en in Reykjavik, joost mag weten waarom, bijzonder gereputeerd is. Evil Madness is een lokale undergroundsupergroep die elektronica koppelt aan noise en industrial, wat tot dusver al twee zinnenprikkelende langspelers heeft opgeleverd. Niet bepaald easy listening, maar van een gezelschap dat figuren als Stilluppsteypa en Jóhann Jóhannsson in de rangen telt, kun je tenminste verwachten dat er iets gebéurt op het podium. Evil Madness blijkt vanavond echter twee leden te missen en is afgekalfd tot een trio ("Jóhannsson could not make it", klinkt het laconiek). De overblijvers verschansen zich in het halfduister achter hun laptops en machines en brouwen stuwende, maar rechtlijnige elektropop: leuk, dansbaar, maar hun extreme achtergrond in acht genomen ook ontstellend gewoontjes. Ik ben inmiddels bijna 24 uur op en besluit onder zeil te gaan. De komende dagen staat hier nog zoveel te gebeuren, dat een fris hoofd geen overbodige luxe is.

Dirk Steenhaut

Onze partners