The Dame op doek: 5 toprollen van David Bowie

11/01/16 om 16:13 - Bijgewerkt om 16:20

David Bowie was niet alleen een bevlogen songwriter, ook als acteur maakte hij indruk. Dat bewees The Thin White Duke met deze vijf filmrollen.

The Dame op doek: 5 toprollen van David Bowie

© /

Voor hij eind jaren zestig naam en faam vergaarde als grensverleggend singer-songwriter was Bowie als tiener al in de weer met dans, avant-gardetheater, commedia dell'arte, cinema en mime.

In 1969 dook hij op in de kortfilm The Image, als een geest die een kunstschilder kwelt. Zeven jaar en enkele wereldhits later zou hij zijn eerste grote filmrol vertolken in Nicholas Roegs The Man Who Fell to Earth, het begin - zo bleek - van een acteercarrière waarin hij zijn theatraliteit en kameleontische verschijning welwillend liet exploiteren.

Hoewel hij officieel nooit in de regiestoel kroop, was de immer imagobewuste Bowie bovendien ook één van de eersten om de videoclip een artistiek cachet te geven. Wie wel zijn kans waagde als regisseur was Bowies zoon Duncan Jones, (aka Zowie Bowie) die de succesvolle SF-films Moon en Source Code maakte, maar in tegenstelling tot pakweg Martin Scorsese (The Last Temptation of Christ) en David Lynch (Twin Peaks: Fire Walk with Me), nooit met zijn vader samenwerkte.

5 toprollen van The Thin White Duke:

The Man Who Fell to Earth (Nicolas Roeg, 1976)

In zijn allereerste rol - even abstractie makend van enkele kortfilms en zijn verschillende publieke persona's als performer - incarneert Bowie een alien van een stervende planeet die op aarde belandt, en zich danig verwondert over het curieuze menselijke beestje. Beeldenstormer Nicolas Roeg, die in zijn cultdebuut Performance (1970) eerder al met rockicoon Mick Jagger had gewerkt, maakt maximaal gebruik van Bowies androgyne, haast onaardse look, en gooit sciencefiction, film noir en politiek essay door de modernistische blender. Een fascinerende, ongrijpbare SF-puzzel die alle dimensies van het medium film verkent, en waarvoor Bowie - de meest overtuigende alien zonder special effects - een gewraakte soundtrack schreef die later de basis zou vormen voor diens album Low.

The Hunger (Tony Scott, 1983)

Het gladde materialisme van het Reagan-tijdperk - én dat van MTV en The New Romantics - wordt op blitse wijze in de nek gebeten door deze hypermodieuze vampierenromance, het regiedebuut van wijlen Tony 'True Romance' Scott.

Daarin moet Catherine Deneuve, als een zes eeuwen oude maar tijdloos verleidelijke bloedzuigster, op zoek naar een nieuw slachtoffer wanneer haar huidige bloedgever - een rol voor Bowie - begint af te takelen. Een meditatie over sterfelijkheid en ijdelheid, met als attractiepolen: een ondode Dame, een sexy lesbische stoeipartij tussen Deneuve en Susan Sarandon plus genoeg videoclipachtig oogsnoep om eighties fashionista's als Duran Duran en Adam & the Ants op te geilen.

Merry Christmas, Mister Lawrence (Nagisa Oshima, 1983)

Om taboegebied te betreden, zat de Japanse regisseur Nagisa Oshima - hij van onder meer het schandaalsucces Het Rijk der Zinnen - nooit verlegen, en ook in dit oorlogsdrama over een krijgsgevangenenkamp op Java anno 1942 gaat Oshima koel maar gedecideerd de politiek en seksueel provocerende toer op.

Onderwerp is de ambigue aantrekking tussen een Britse krijgsgevangene - een sexy zwetende David Bowie - en diens Japanse bewaker - een al even sexy zwetende Ryuichi Sakamoto, de befaamde componist en J-rocker die ook de soundtrack van de film schreef.

Het resultaat is een zinderende clash tussen Oost en West, tussen haat en liefde, tussen meester en slaaf, naar de autobiografisch geïnspireerde roman The Seed and The Sorrow van Laurens Van der Post.

Aardig om weten: Oshima castte Bowie nadat hij hem op Broadway aan het werk had gezien in een toneeladaptatie van The Elephant Man.

Absolute Beginners (Julien Temple, 1986)

In deze extravagante rockmusical van Julien Temple, de ex-propagandist van punkiconen The Sex Pistols die eerder ook al de videoclip voor Bowies hit Blue Jean (1984) had geregisseerd, duiken we in navolging van Colin McInnes gelijknamige cultroman uit 1959 het Londen van de late jaren vijftig binnen, waar een jonge fotograaf hopeloos verliefd wordt op een arrogante aspirant modeontwerpster, terwijl er rassenrellen dreigen op de achtergrond. Temple liet, in de traditie van de MGM-spektakels van weleer, plezierwijk Soho nabouwen in de studio en trommelde een legertje hip rock- en popvolk op - Bowie! Ray Davies! Sade! The Style Council! - om die te bevolken, maar helaas bekocht hij zijn megalomanie met het failliet van de Goldcrest-studio, toen de film een grote flop bleek aan de kassa. Bowie hield er met de titeltrack niettemin een dikke hit aan over.

The Prestige (Christopher Nolan, 2006)

Bowies laatste deftige filmrol is die van de befaamde Servisch-Amerikaanse uitvinder en natuurkundige Nikola Tesla (1856-1943), in dit sfeervolle suspensedrama van Batman-menner Christopher Nolan. Hier mag hij Hugh Jackman, als rationele goochelaar die zijn 'magie' op de nieuwste technologieën en de ratio baseert, de principes van de door hem uitgevonden wisselstroomtechniek uitleggen. Plus: demonstreren dat ook Victoriaanse kostuums hem als gegoten zitten. Een rol tussen Man en Mythe, Feit en Fictie, Heden en Toekomst, oftewel het territorium waarin Bowie zich ook als performer altijd thuis heeft gevoeld.

Onze partners