Lebanon wint de Gouden Leeuw te Venetië: interview met Samuel Maoz

13/09/09 om 11:21 - Bijgewerkt om 11:21

Bron: Knack Focus

Hoe voelt het om als Israëlisch tanksoldaat aan het Libanese front te worden gedropt? Ex-soldaat Samuel Maoz verwerkte zijn ervaringen tot het claustrofobische oorlogsdrama Lebanon en won er zopas de Gouden Leeuw mee. 'Ik kon de geur van brandend vlees nog ruiken.'

Lebanon wint de Gouden Leeuw te Venetië: interview met Samuel Maoz

'Das Boot in een tank.' Het is een omschrijving die de Israëlische regisseur Samuel Maoz onderhand wellicht de strot uitkomt, al geeft ze wel meteen weer waar het in 's mans benauwende regiedebuut om draait. Negentig minuten lang volgt Maoz de lotgevallen van een vierkoppige, Israëlische tankeenheid die op 6 juni 1982 het commando krijgt om het Zuiden van Libanon binnen te vallen waar de falangisten zopas een bloedbad hebben aangericht in de Palestijnse vluchtelingenkampen.

Wat je krijgt is dan ook geen heroïsch potje oorlogsporno, maar een grotendeels vanuit point of view geschoten getuigenverslag vanuit een Israëlische legertank. Dat je de angst en verwarring van de vier jonge soldaten haast kunt voelen en ruiken, hoeft dus niet te verwonderen, al komt dat laatste niet alleen door Maoz' gestileerde, semidocumentaire stijl.

Als ex-soldaat die in 1982 zelf de grens met Libanon werd overgestuurd wéét de regisseur ook waarover hij het heeft. Sterker nog: de oorlog liet bij Maoz - twintig en filmstudent indertijd - zelfs zo'n verpletterende indruk na dat hij er uiteindelijk 28 jaar voor nodig had om de trauma's van zich af te filmen.
Het resultaat werd zopas in Venetië bekroond met de Gouden Leeuw en blijkt na Ari Folmans animatiedocumentaire Waltz with Bashir opnieuw een pakkend staaltje verwerkingscinema.

U was twintig toen u de oorlog meemaakte. Welke taak had u als tanksoldaat? Samuel Maoz: Ik was de schutter. Ik was diegene die de trekker moest overhalen. Niet dat ik daarom gevraagd had, maar in het leger wordt je sowieso niks gevraagd. Bovendien moest ik mijn verantwoordelijkheid nemen tegenover mijn medesoldaten. Als ik schoot, was ik een moordenaar. Als ik niet schoot ook. Dat is het afschuwelijke aan oorlog. Het laat je geen enkele keuze en degradeert je tot een beest dat drijf op zijn instinct. Het is vreten of opgevreten worden. Dat wilde ik met deze film duidelijk maken. Mijn personages beginnen niet plots morele of politieke debatten met elkaar aan te gaan, zoals in de meeste oorlogsfilms uit Hollywood. Als je onder vuur ligt en je leven staat op het spel denk je maar aan één ding: jezelf redden. Denk je aan het 'moreel juiste' doen, dan overleef je het niet.'

Is de film dan een soort mea culpa?
Maoz: Deels wel. Ik heb mensen gedood, al vond ik niet dat ik indertijd een keuze had. Ik was nog nooit buiten Israël geweest toen we naar Libanon gestuurd werden en net als de personages in de film hadden we geen idee wat ons te wachten stond. We hadden tevoren wel op vaten en poppen geschoten, maar plots krijg je granaten naar je kop geslingerd door een vent die een meisje gebruikt als levend schild. De legerdienst is een speeltuin voor volwassen pubers in vergelijking met een echte oorlog. Dat heb ik mijn acteurs - die alleen hun dienstplicht hebben gedaan - ook proberen duidelijk te maken. Zelfs fysiek.

Hoe bedoelt u precies? Maoz: Om hen de claustrofobie van een tank te laten voelen, heb ik hen één voor één urenlang opgesloten in een volledig verduisterde en snikhete container. Daarna ramde ik om het kwartier met een ijzeren staaf op de container, om op die manier een aanval te simuleren. Dat is nog altijd niet hetzelfde als hetgeen ik meemaakte, maar het is tenminste duidelijker dan woorden.

Uiteindelijk heb je er 28 jaar over gedaan om al die ervaringen te verwerken tot een film.
Maoz: (knikt) Ik heb wel al tv-films en commercials gemaakt maar dit is inderdaad pas mijn eerste bioscoopfilm. Ik wilde het materiaal als regisseur benaderen. Niet als getuige. En dus was er tijd nodig om afstand te creëren. Vier jaar na de oorlog was ik al eens aan het scenario begonnen, maar toen lagen de gebeurtenissen nog te vers in mijn geheugen. Ik rook meteen weer de geur van brandend vlees. Later heb ik het nog een paar keer geprobeerd maar de finale versie heb ik uiteindelijk pas in 2006 geschreven, toen de Tweede Libanese Oorlog net uitgebroken was. Ik vond dat ik niet langer mocht zwijgen. Niet dat ik geloofde dat ik de regering op andere gedachten kon brengen, maar ik was gedegouteerd door wat ik zag op tv. Eerst vreselijke beelden van lijken en stukgeschoten gebouwen. Daarna een blokje reclame. Men was gewoon producten aan het verkopen met soldatenbloed.'

Met Waltz With Bashir maakte uw collega Ari Folman eerder al een film over zijn ervaringen tijdens de Libanese Oorlog. Hebben jullie contact met elkaar?
Maoz: Ja. We gaan wel eens samen een koffie drinken in Tel Aviv. Maar we hebben nog nooit oorlogservaringen uitgewisseld, mocht je dat bedoelen. Zo werkt het niet. Die dingen zitten zo diep dat je ze amper op papier krijgt, laat staan dat je er met anderen ongedwongen over kunt praten. Je laat elkaar gewoon met rust. Ik heb ter voorbereiding van de film bijvoorbeeld ook maar met één van mijn drie soldatenmakkers van weleer gesproken.

Je film won inmiddels de Gouden Leeuw en wordt wel eens de nieuwe Das Boot genoemd. Was u verrast door de reacties? Maoz: Aangenaam verrast. Ik heb de film gemaakt uit noodzaak. Omdat ik mensen wilde tonen dat er in een oorlog geen helden of lafaards zijn. Alleen slachtoffers. Zij die doden. En zij die gedwongen worden om te doden. Als je dan merkt dat die boodschap ook overkomt, doet dat natuurlijk geweldig veel deugd.

Naar verluidt heeft u inmiddels verschillende Hollywoodaanbiedingen op zak? Maoz: Klopt. Maar je weet hoe Hollywood denkt. Die kerel kan met bescheiden middelen een pakkende film maken in een tank. Laat hem dan ook maar eens hetzelfde doen in een ruimteschip. Alleen heb ik niet veel zin in Alien 5. Ik wil eerst proberen om opnieuw een persoonlijk verhaal te vertellen. Als dat mislukt, kan ik altijd nog Alien 8 regisseren. (lacht)

Dave Mestdach

Onze partners