The Grand Budapest Hotel: Hotel nostalgie

05/03/14 om 09:48 - Bijgewerkt om 09:48

Bron: Knack Focus

In de geraffineerde, ondraaglijk lichte retrokomedie The Grand Budapest Hotel heet Wes Anderson u welkom in het Europa uit de tijd van toen. Prettig verblijf!

The Grand Budapest Hotel **** Wes Anderson met Ralph Fiennes, Tony Revolori, Saiorse Ronan, Tilda Swinton, Willem Dafoe

The Grand Budapest Hotel: Hotel nostalgie

'Hoe meer men zich begrenst, hoe vindingrijker men wordt', wist de Deense filosoof Søren Kierkegaard al, en die woorden neemt Wes Anderson meer dan ooit ter harte. Zijn achtste langspeler is namelijk zijn meest archetypische, gemaniëreerde en 'begrensde' tot nu toe, met minutieus gecomponeerde frames die haast schilderijtjes lijken, genoeg symmetrische shots en horizontale draaibewegingen om je een licht draaierig gevoel te bezorgen en een vers blik karikaturen waarin, geheel conform Andersons nostalgiedronken wereldbeeld, een sombere ziel blijkt te huizen.

Hergé werd binnen de stripwereld de meester van de klare lijn gedoopt, Anderson mag die titel claimen binnen het regisseursgild. De maker van The Royal Tenenbaums (2001), Fantastic Mr. Fox (2009) en andere kleurrijke deadpankomedies heeft zich deze keer dan wel vooral op de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig en de jaren-dertigfilms van Ernst Lubitsch geïnspireerd, zowel stilistisch als gevoelsmatig lag de Kuifje-factor nog nooit zo hoog als hier. Een tip: lees het Kuifje-album De scepter van Ottokar uit 1939 en u begrijpt wat er bedoeld wordt.

Ook deze film speelt zich af in een fictieve Oost-Europese republiek anno jaren dertig, ook hier is de MacGuffin een kunstobject, ook hier passeren spionnen, militairen en andere politieke (nazi)spoken de cartooneske revue. En geen enkel personage - of het nu gaat om Willem Dafoe als vampierachtige crypto-SS'er of Tilda Swinton als gerimpelde aristocrate - zou uit de toon vallen in het groteske gezelschap van Jansen en Janssen, Bianca Castafiore en co.

Spilfiguur is de fijngemanierde, eloquente en cougar-minnende hotelconciërge Gustave (Ralph Fiennes), die met zijn jonge piccolo Zero (Tony Revolori) bij een moord en een kunstroof betrokken raakt. Hoe de intrige precies ineenzit en welke hoekige, rigide in beeld gestanste bochten die neemt, mag de oudere Zero (F. Murray Abraham) in het raamverhaal uitleggen aan een Britse hotelgast (Jude Law); scènes die zich afspelen in de late jaren zestig. Daarin wijkt het oude academybeeldformaat (1.375/1) voor het contemporaine widescreen (1.85/1) en blijkt het Grand Budapest Hotel nog slechts een schim te zijn van de gretig door de beau monde gefrequenteerde interbellumparel die het ooit was.

Vormen de dartele en droogkomische avonturen van Gustave en Zero de motor van de film, dan giet Anderson er met andere woorden ook nu een melancholiek glazuurlaagje overheen. Achter de farcicale slagroomfaçade proef je de mijmeringen over de verlepte ziel van het oude continent, over de absurditeit van het totalitarisme én, zoals in elke Anderson-film, over disfunctionele (familie)relaties. Alleen worden de dingen nooit bij naam genoemd en wordt alles als vanouds op een klinisch precieze, postmodern knipogende manier geserveerd, alsof Anderson schrik heeft om zijn fetisjen te lossen, de bagage volledig uit te pakken en zichzelf in zijn gekunstelde charade bloot te geven. 'Een prachtig verpakte maar lege trukendoos'; zullen 's mans criticasters daarom weer in koor kakelen. 'Gelaagde satire vermomd als vederlichte verstrooiing', zullen zijn apologeten counteren.

Maar tot welk kamp u ook behoort, The Grand Budapest Hotel is hoe dan ook een visueel viersterrenoord waar de klant zich honderd minuten lang koning voelt.

Dave Mestdach

Onze partners