Filmrecensie 'White God': Bijt, Pekkie, bijt!

02/12/14 om 11:06 - Bijgewerkt om 11:10

Bron: Knack Focus

Zodra White God zijn machtige kaken in uw kuiten heeft gezet, is er geen ontsnappen meer aan. De apocalyptische fabel van de hondsdolle Hongaar Kornél Mundruczó zet u aan het janken.

Filmrecensie 'White God': Bijt, Pekkie, bijt!

© gf

White God

Kornél Mundruczó met Zsófia Psotta, Sándor Zsótér, Lili Horváth

De dertienjarige Lili is ontzettend kwaad op haar vader. Die dumpte de hond Hagen omdat hij de loodzware taks op bastaardhonden weigert te betalen. Het Hongarije uit de nabije toekomst stuurt met die belasting aan op een wereld met alleen maar raszuivere honden. Terwijl het meisje de stad afdweilt op zoek naar haar hond, ontdekt die laatste de grenzeloze wreedheid van de mens. Als een Spartacus op vier poten leidt Hagen de opstand van een grote bende straathonden tegen hun onderdrukkers. Hun wraak is bloederig, meedogenloos en wordt behoorlijk cru in beeld gebracht - en op doekjes voor het bloeden hoeft u niet te rekenen.

Samson is ver weg bij Kornél Mundruczó. De Hongaarse regisseur van het erg mooie Delta (2008) en het teleurstellende Tender Son: The Frankenstein Project (2010) wil wakker schudden. Met de bedoeling een veel groter publiek te bereiken - hij kan de heftige culturele teloorgang niet langer aanzien - stortte de voorheen niet altijd even toegankelijke minimalist zich op genre-experimenten. Zijn eerste poging, White God, was in Cannes meteen goed voor de Prix Un Certain Regard.

White God alludeert op White Dog (1982) van de onvolprezen Samuel Fuller, over een jonge actrice die merkt dat de aangereden herdershond die ze opvangt getraind is om mensen met een donkere huidskleur de keel over te bijten. Maar de titel slaat ook op de blanken die zich in het onfrisse, door neonazisme geteisterde Hongarije van Viktor Orbán - of dichter bij huis - superieur wanen. Want laat u niet misleiden door de kwispelende staarten van de viervoeters: Mundruczó gebruikt de honden als stand-in voor de minderheden die de ongelijkheid, de vernederingen en het misprijzen niet blijven slikken.

Zowel de schuimbekkende allegorie als de grove genrefilm zou de mist zijn ingegaan indien Mundruczó er niet in was geslaagd de beesten te vermenselijken. De boze honden lijken echt te acteren, al zou de monteur daar wel eens een groter aandeel in kunnen hebben dan de hondentrainers. Maar dan nog is het een raadsel hoe sommige reactieshots tot stand gekomen zijn.

Was de Hongaar iets rigoureuzer geweest in het scenario, dan had hij de spanning nóg meer opgezocht. Was hij iets bondiger geweest, dan had zijn apocalyptische fabel ook potten kunnen breken bij een nietsvermoedend publiek dat hongert naar een nieuwe The Birds (1963), of zelfs een nieuwe Cujo (1983) of Piranha (1978). Maar misschien was dat dan weer ten koste gegaan van de ambiguïteit en het unieke karakter van deze hondsbrutale film, die elk kwartier nóg doller wordt en nóg wat luider blaft. De boze benadeelden van de maatschappij afwimpelen met 'Af, Pekkie, af!' zit er dus niet echt in.

Lees meer over:

Onze partners