The Faber Book of French Cinema

10/06/11 om 11:26 - Bijgewerkt om 11:26

Bron: Knack Focus

Wie zich in de rijke geschiedenis van de Franse cinema wil verdiepen, heeft aan deze meesterlijke studie een vette kluif.

The Faber Book of French Cinema Charles Drazin, Faber and Faber, 448 blz. ¤ 26.95.

The Faber Book of French Cinema

Hoe vertel je in minder dan vijfhonderd pagina's het hele verhaal van de Franse cinema, het toch op één na (de VS) het land met de rijkste en boeiendste filmgeschiedenis? Het gevaar van zulke studies is dat ze zich algauw verliezen in het catalogeren van feiten, namen en filmtitels tot de lezer nog nauwelijks het bos door de bomen ziet. De francofiele Brit Charles Drazin weet met brio deze klippen te omzeilen dankzij zijn tegelijk zeer persoonlijke en synthetische aanpak. Vooreerst zet hij de toon met een anekdote over hoe zijn late ontdekking van de eerste film van Eric Rohmer, Le Signe du Lion (1959), hem deed beseffen dat de Franse cinema totaal andere werelden verkende dan de door Hollywood gedomineerde Engelstalige cinema. Meteen weten we ook dat dit vooral de geschiedenis wordt van de Franse cinéma d'art et essai - de puur commerciële productie van populaire genres en dito vedetten komt nauwelijks aan bod.

Drazins vogelvlucht over de Franse cinema voert hem van de gebroeders Lumière tot aan Jacques Audiards arthousehit Un prophète. Onderweg passeren alle grote stromingen en mijlpalen de revue: de pioniers die een nieuwe vorm van vermaak uit de grond stampten; de invloedrijke avant-garde van de jaren 20; het Gouden Tijdperk van de jaren 30, de paradoxale productie tijdens de Duitse bezetting toen ondanks de censuur meer meesterwerken dan ooit tevoren werden gemaakt; de nouvelle vague, die komaf maakte met de Qualité française en de cinéma de Papa, maar ook het kind met het badwater weggooide, zoals Drazin herhaaldelijk aantoont; én tot slot de nieuwe generatie, die bewijst dat grote publiekscinema en cinéma d'auteur niet noodzakelijk op voet van oorlog hoeven te leven.

Wat het boek zo lezenswaard en onthullend maakt, is dat Drazin de kunst verstaat om zijn evaluatie van het werk van toonaangevende regisseurs aan de bepalende maatschappelijke, culturele en filmtechnische factoren te linken. Het is al een grote troef van het boek dat er een volledig hoofdstuk wordt gewijd aan Julien Duvivier, de succesrijkste regisseur uit de jaren 30 en een van de grootste slachtoffers van François Truffauts polemische aanval uit 1954 tegen de vastgeroeste Franse filmtradities. Maar wat Drazins opwaardering van de supervakman Duvivier des te interessanter maakt, is de vergelijking van diens zwartgallige meesterwerk Pépé le Moko (1936) met de Amerikaanse remake Algiers (1938). Terwijl het droefgeestige origineel met Jean Gabin een naturalistische basis heeft en kiest voor een waarachtige benadering van personages en situaties, krijgt de Amerikaanse versie meteen een mythisch aureool en wordt ze een moraliserende fabel over zelfopoffering en verlossing.

Patrick Duynslaegher

Onze partners