Bob Dylan in de Studio

03/02/11 om 16:58 - Bijgewerkt om 16:58

Bron: Knack Focus

Boeken over Bob Dylan verschijnen met zo'n krankzinnige regelmaat dat we ze alleen nog lezen als ze door hemzelf zijn geschreven. Of, oké dan, door een landgenoot.

Bob Dylan in de Studio **

Patrick Roefflaer, Epo, 352 blz., ¤22,50

Bob Dylan in de Studio

Zelfs voor wie van vader- of moederskant een talent voor tobben heeft meegekregen - of er puur op wilskracht zelf één heeft ontwikkeld, waarvoor respect - bestaan er gedachten die je je maar beter niet tussen de oren haalt, als je zonder koude rillingen de werkdag wil doorkomen. Eén zo'n geestelijke no go-zone is je afvragen hoeveel er van je kostbare leven wegtikt door elke zondagmorgen bij de bakker aan te schuiven. Welk ecologisch voetspoor het zoveelste pseudo-intellectuele, bij de haren getrokken, kortom waardeloze boek over Bob Dylan achterlaat vormt een andere.

Hier ligt de zaak anders. Wie was ook alweer de eerste die - blijkbaar overmand door de evidente absurditeit ervan - schrijven over muziek gelijkstelde met dansen over architectuur? Hoe dan ook: doller dan architecten die een boek over muziek pennen moet het voor ons niet worden. Nochtans is dat precies wat ene Patrick Roefflaer, bouwmeester uit het Limburgse en buiten de werkuren bezieler van een muziekblog, heeft geflikt.

In Bob Dylan in de Studio verleent Roefflaer enige duiding bij de bijna veertig studioplaten van de neuzelende meester - van het titelloze debuut uit 1962 tot en met het anderhalf jaar geleden verschenen Christmas in the Heart toe. De auteur kiest er resoluut voor een vlieg in de studio (en dus niet slaapkamer of toerbus) te zijn: wie speelde tweede gitaar bij welke opnamesessie? In welke songs kunt u Dylans hemdsknopen tegen zijn gitaar horen tikken? Welk nummer verscheen in welk land op de b-kant van welke single?

'Boring!', denkt de modale lezer dan. Het klopt dat Roefflaers afwijzen van stylisme, idolatrie en analyse hem het aanschijn van een grijze archivaris geeft die zich in stofjas aan het verzamelen van de kurkdroogste details wijdt. Beslist niet ieders meug. Toch kan ook hij niet anders dan rond elke plaat wat biografisch perspectief te poederen, wil hij de insteek ervan verklaren. Dat maakt zijn boek dan weer heel laagdrempelig. Een twijfelgeval dus.

Daarbij mogen we niet nalaten mee te geven dat wij, die toch al heel wat van ons kostbare leven aan ome Bob hebben gewijd, best wat nieuwe of vergeten weetjes uit deze bundel hebben opgepikt. Dat de spreekbuis van de Woodstockgeneratie ook regelrechte haatsongs heeft geschreven, bijvoorbeeld. Of dat Slow Train Coming (de eerste plaat die Dylan als herboren christen maakte) indertijd zelfs besproken werd in het parochieblad Kerk en Leven. Daar willen we, wachtend op onze croissants, nog wel eens meesmuilend bij stilstaan.

Kurt Blondeel

Lees meer over:

Onze partners